LONGREAD: Hoe Al-Qaeda werkt: het evoluerende organisatieontwerp van de Jihadistische groep

15-06-2018

De jaren na de aanslagen van 11 september en voorafgaand aan de Arabische Lente betekenden een periode van tumult voor Al-Qaeda. De jihadistische organisatie verloor een aantal belangrijke commandanten nadat de Verenigde Staten Afghanistan binnenvielen, waaronder verschillende betrokken waren bij het plannen van operaties buiten de regio. Hoewel al-Qaeda een geloofwaardige grootschalig complot tegen de commerciële luchtvaart had voorbereid in augustus 2006 en bijna een internationale vlucht boven Detroit in december 2009 naar beneden bracht, heeft de organisatie meerdere jaren zonder succes een terroristische aanslag in het Westen uitgevoerd. 

Voor een organisatie die tot op zekere hoogte haar geloofwaardigheid had opgebouwd door het vermogen om een ​​gewapende strijd tegen de 'verre vijand' te voeren, heeft deze onderbreking de reputatie beschadigd. Tekenend voor deze problemen was Al-Qaeda's Irak-gelieerde onderneming, die hardnekkig de leiding van Al-Qaeda-leiderschap had genegeerd om wat zij als excessief gewelddadige methoden beschouwden, te verminderen. Na het verspelen van zijn hand, die een georganiseerd verzet uit de Iraakse soennitische gemeenschappen teweegbracht, stortte Al-Qaida in Irak ineen. Op zijn beurt was de ineenstorting een klap voor de al-Qaeda-organisatie als geheel.

In het in 2008 gepubliceerde boek Leaderless Jihad reflecteerde psychiater en voormalig CIA-casusofficier Marc Sageman over de al-Qaeda van de jaren 2000. Sageman voerde aan dat de capaciteiten van Al-Qaeda's senior leiderschap sterk waren afgenomen, en wel in die mate dat de organisatie niet langer het commando en de controle uitoefende over haar nominale leden of over gelijkgezinde jihadisten die buiten Afghanistan en Pakistan opereerden. Met al-Qaida nu als een gemarginaliseerde organisatie, beweerde Sageman, was de meest krachtige jihadistische dreiging voor het Westen nu afkomstig van "groepen jongens". Dit waren kleine groepen geradicaliseerde individuen geïnspireerd door de salafi-jihadistische ideologie, die aanvallen planden zonder te coördineren met of te ontvangen begeleiding door een grote organisatie zoals al-Qaeda.

Terwijl Leaderless Jihad de nodige invloed had op de gedachten van een groeiend aantal terrorisme-analisten en journalisten,  leidde dit ook tot een zinderende weerlegging van Georgetown University terrorisme geleerde Bruce Hoffman. Hoffman maakte bezwaar tegen de bewering van Sageman dat Al-Qaeda's senior leiderschap "operationeel geneutraliseerd" was geworden. In plaats daarvan voerde hij aan dat Al-Qaeda een "opmerkelijk behendige en flexibele organisatie" was, en dat zijn leiderschap zich had hersteld van personeelsverlies, operationele zeggenschap over gelieerde ondernemingen had behouden en zijn vermogen om externe operaties tegen het Westen te plannen, kon handhaven. Hoewel Hoffman de dreiging van lokale en regionale terroristische netwerken erkende, voerde hij aan dat Al-Qaeda een grotere uitdaging bleef vormen voor de Amerikaanse en Europese veiligheid.

Het meningsverschil tussen Hoffman-Sageman is ruim tien jaar na de publicatie van Leaderless Jihad nog altijd niet opgelost, omdat de analisten blijven debatteren over fundamentele vragen over de relevantie van Al-Qaeda's senior leiderschap en de structuur van de organisatie. Is al-Qaeda een top-down, gecentraliseerde organisatie of een verzameling van platte netwerken? Blijven de leiders verbonden met en geven ze strategische richting aan de gelieerde ondernemingen van de organisatie of zijn ze teruggebracht tot een symbolische rol? Is Al-Qaeda zelfs één enkele coherente organisatie of lijkt het meer op een sociale beweging, verstoken van hiërarchie en zonder een concrete structuur?

Het gebrek aan consensus over deze vragen binnen de analytische gemeenschap belemmert ons vermogen om te anticiperen op de acties van al-Qaeda en zijn gelieerde ondernemingen, en om hun toekomstige activiteiten tegen te gaan. Als we de basisaspecten van de structuur van Al-Qaida niet nauwkeurig begrijpen, zullen we het kern van de organisatie niet kunnen identificeren en niet kunnen voorspellen of kunnen bepalen hoe strategische richtlijnen van haar leiderschap het gedrag van aangeslotenen zullen beïnvloeden. Naarmate meer en meer documenten uit het safehouse van Bin Laden (Abbottabad)  zijn hersteld en toegankelijk worden en verhalen uit de eerste hand van insiders van jihadistische bewegingen toenemen, beschikken we nu over voldoende informatie om antwoord te geven op dringende vragen over het organisatieontwerp van al-Qaeda.

Nauwkeurige analyse van deze primaire bronmaterialen, waaronder een enorme hoeveelheid documenten geproduceerd door Al-Qaeda's topambtenaren, heeft twee belangrijke bevindingen opgeleverd die Daveed Gartenstein-Ross en Nathaniel Barr uitvoerig in dit artikel presenteren. Ten eerste blijft Al-Qaeda een coherente en gecentraliseerde organisatie, zij het een die niet perfect gecentraliseerd is. Ten tweede blijft het leiderschap van Al-Qaida essentieel voor het bepalen van zowel het traject van de organisatie als de strategische richting. Al-Qaeda slaagt er soms niet in om zijn interne geschillen op te lossen voordat ze in het openbaar verschijnen - een verschijnsel dat ook in eerdere jaren werd waargenomen (in de jaren negentig waren er in Soedan en Afghanistan flinke openbare geschillen over de staat en het traject van de mondiale jihadistische beweging) -de aangesloten maatschappijen blijven zich over het algemeen houden aan de doelstellingen. Tegelijkertijd stelt het flexibele organisatiemodel van Al-Qaeda filialen in staat hun tactische benadering van lokale dynamiek aan te passen.

Hoewel de organisatiestructuur van al-Qaeda sinds het begin verschillende veranderingen heeft ondergaan, blijft de huidige structuur de strategische visie van de oprichters weerspiegelen. Vanaf het begin heeft Al-Qaeda een uniek organisatieontwerp aangenomen, waarbij haar senior leiderschap een strategische koers voor de organisatie heeft geschetst van een hele, maar gemachtigde middenkadercommandant om deze strategie naar eigen goeddunken uit te voeren. "Centralisatie van besluitvorming en decentralisatie van uitvoering", zoals dit organisatieprincipe is beschreven, blijft vandaag van kracht. Door zich aan dit beginsel te houden, heeft Al-Qaeda zowel organisatorische als strategische coherentie kunnen handhaven, zelfs in het licht van aanzienlijke interne en externe uitdagingen.

Dit artikel geeft een overzicht van de ontwikkeling van al-Qaeda gedurende zijn bijna dertigjarig bestaan, waarbij speciale nadruk wordt gelegd op de vroege geschiedenis. De oorspronkelijke structuur van de organisatie zou volgens de auteurs van dit artikel een blijvende invloed hebben op hoe de organisatie functioneerde en zich ontwikkelde naarmate de tijd verstreek. Dit artikel begint met een verkenning van de strategische en ideologische grondgedachte achter de oprichting van Al-Qaida. De auteurs overwegen in het bijzonder hoe deze grondgedachte de vroege nadruk legde op 'centralisatie van besluitvorming en decentralisatie van uitvoering'. Vervolgens onderzoeken zij hoe de organisatiestructuur van Al-Qaeda werd getransformeerd door nieuwe uitdagingen, zoals het verlies van Afghanistan als een veilige haven na de aanslagen van 9/11, en door de uitbreiding ervan met nieuwe filialen. Het originele artikel is volledig Engelstalig. Terreur Nieuws heeft getracht dit zo goed mogelijk voor u te vertalen. 

De voorhoede maken

Sayyid Qutb
Sayyid Qutb

Al-Qaida's bestaansrecht is geworteld in het concept van een internationale voorhoede die belast is met het nemen van de eerste stappen die nodig zijn om een ​​niet-islamitische wereldorde te vervangen (inclusief de seculiere regeringen van het Midden-Oosten en de invloed van Westerse machten die ondersteuning bieden), en luidt het islamitische bestuur over de hele wereld in. Het internationale jihadistische leger dat al-Qaeda wil bouwen lijkt sterk op de voorhoede van de vroege islamitische geschiedenis en lijkt ook sterk op het voorhoede-concept dat prominent aanwezig is in de geschriften van twee prominente jihadistische theoretici van de twintigste eeuw, Sayyid Qutb en Abdullah Azzam .

Qutb leende de term voorhoede waarschijnlijk van het marxisme, die beweerde dat een kleine kern van toegewijde individuen nodig was om de massa's te mobiliseren om de communistische revolutie te voltooien. Maar naar zijn inschatting, evenals die van andere invloedrijke islamitische denkers, kan het concept van een voorhoede eigenlijk worden teruggevoerd op de vroege jaren van de islamitische geschiedenis, toen de profeet Mohammed en een kleine groep aanhangers de oppositie van de Arabische stammen overwon, verspreidde de islam over het Arabische schiereiland. Moslimbroederschap oprichter Hassan al-Banna trok een expliciete vergelijking tussen de vroegste aanhangers van de profeet en de beweging die hij probeerde op te bouwen, verklarend: "We proberen van deze moderne bekering een echte echo te maken voor de vroege bekering." 

Qutb's bespreking van hoe deze voorhoede gevormd zou moeten zijn en hoe deze moest werken was, zoals veel van zijn schrijven, zwaar theoretisch en neigt meer naar een diagnose in plaats van een panklaar recept. Het werd overgelaten aan latere figuren, zoals Abdullah Azzam, om te bepalen hoe het idee van een voorhoede in de praktijk kon worden gebracht.

Azzam, die ooit Bin Laden's mentor was, groeide uit tot de meest invloedrijke jihadistische theoreticus en strateeg van de jaren 1980. Zijn geschriften hadden betrekking op een breed scala aan onderwerpen, maar zijn meest uitgebreide bespreking van het doel en de functie van een voorhoede verscheen in een artikel met de titel "al-Qaeda al-Sulbah" (The Solid Base), dat in 1988 werd gepubliceerd in al Jihad- magazine, een publicatie die Azzam oprichtte om verslag uit te brengen over de anti-Sovjetoorlog in Mujahedin in Afghanistan. In het artikel verklaarde Azzam de noodzaak om een ​​voorhoede te hebben om revolutie in de islamitische wereld teweeg te brengen:

Deze voorhoede, schreef Azzam, zou eerst de mensen stimuleren, en dienen als de "vonk die de energieën van de Ummah ontbrandt." De baan van de voorhoede, aldus Azzam, zou daar niet eindigen. Zoals hij uitlegde in Join the Caravan, een kort boek dat in 1987 werd gepubliceerd, nadat de moslimgemeenschap tot actie was aangespoord, zou de voorhoede dienen als het "kloppend hart en de overleggende geest", die de Ummah strategische en ideologische begeleiding biedt. 

Al-Qaida ziet zichzelf als een uiting van deze voorhoede. Het doel van de organisatie is volgens de oprichters en strategen om de moslimmassa's te stimuleren om in opstand te komen tegen het bestaande internationale systeem, dat corrupt en goddeloos is, en om de Ummah te inspireren dit systeem te vervangen door een islamitisch kalifaat. Al-Qaeda moet de voorhoede zijn van deze revolutie, de 'organisatie en leidende verandering', zoals Ayman al-Zawahiri, de huidige emir van al-Qaeda, uitlegde in Knights Under the Prophet's Banner , zijn verhandeling over de geschiedenis en toekomst van de revolutie. 

jihadistische beweging.

Al-Qaida's perceptie van zichzelf als voorhoede heeft duidelijke implicaties voor de organisatiestructuur van de groep. Al Qaida's leiders waren het met Qutb en Azzam eens dat de islamitische revolutie niet zonder leider kon zijn: een revolutie die zowel ideologische als strategische begeleiding ontbeerde, putte zichzelf uit. Zoals Azzam uitlegde in "al-Qaeda al-Sulbah", zou een ideologie zonder voorhoede om het te promoten en te verspreiden "doodgeboren worden, vergaan voordat het licht en leven ziet." Al-Qaeda bekeek en blijft het jihad-model zonder leider zien als strategisch onhaalbaar.

Dus in plaats daarvan streefde Al-Qaeda naar een robuuste organisatiestructuur die het in staat zou stellen zijn zelfverklaarde rol als voorhoede van de revolutie te vervullen. Drie principes vormden de creatie van deze structuur. Ten eerste moest Al-Qaeda een propaganda-apparaat opzetten waarmee de groep haar boodschappen over de hele wereld kon overbrengen en de Ummah kon inspireren om zich bij zijn revolutie aan te sluiten. Zawahiri verwoordde het belang van propaganda in een brief van 2005 aan Al-Qaida in Irak ( AQI ) leider Abu Musab al-Zarqawi, die uitlegde dat "we in een strijd zijn en dat meer dan de helft van deze strijd plaatsvindt op het slagveld van de media. " Ten tweede had al-Qaeda beheers- en controlemechanismen nodig om de activiteiten van zijn ondergeschikten te sturen en om strategische begeleiding te bieden aan degenen die betrokken zijn bij zijn de revolutie, ongeacht waar ze opereerden. Ten derde en ten slotte zou de organisatie veerkrachtig moeten zijn. Azzam erkend dat het pad naar een islamitische revolutie "eindeloos en moeilijk" zou zijn. Als de uiteindelijke doelstellingen moeten worden behaald zal al-Qaeda in staat moeten zijn om herhaalde uitdagingen en grote verliezen te verduren.

Al-Qaeda heeft sinds zijn ontstaan ​​talloze transformaties ondergaan, maar de organisatie heeft standvastig vastgehouden aan haar overkoepelende doel: de voorhoede zijn van een islamitische revolutie. Verder blijven de drie basisprincipes van de organisatie die Al Qaeda vorm gaven de groep leiden. Al-Qaeda's propaganda-inspanningen, hoewel ze essentieel blijven, vallen grotendeels buiten het bestek van dit artikel. Dit artikel concentreert zich daarentegen op de manier waarop Al-Qaeda zijn command-and-control-mechanismen heeft gehandhaafd en hervormingen heeft doorgevoerd die gericht zijn op het verbeteren van de veerkracht, zelfs wanneer de groep haar geografische bereik heeft uitgebreid, het verlies van belangrijke leiders heeft geleden en aangepast. Zijn strategische aanpak als antwoord op de veranderende geopolitieke dynamiek.

Een duurzame organisatie bouwen

Al-Qaeda's oprichtingsdocumenten maken duidelijk dat al-Qaeda-leiders prioriteit gaven aan het bouwen van een coherente en veerkrachtige organisatie. Daarentegen zijn de notulen van de eerste vergaderingen van Al-Qaeda in augustus 1988 enigszins dubbelzinnig over de specifieke doelstellingen van de groep. Hoewel deze notulen aantonen dat het overkoepelende doel van Al-Qaeda is om de islam 'zegevierend' te maken, missen ze enige uitleg over wat overwinning betekent of hoe het kan worden bereikt. Uit de notulen blijkt echter dat veel aandacht was besteed aan de organisatiestructuur die Al-Qaeda zou aannemen, hetgeen het belang bevestigt dat de oprichters hebben gegeven aan de ontwikkeling van standaard bureaucratische praktijken en procedures.

Al-Qaeda's eerste ontmoeting begon met een bespreking van de beperkingen van de Maktab al-Khidamat al-Mujahedin, een organisatie gecreëerd en gerund door Abdullah Azzam die zowel internationale fondsenwerving voor de Afghaanse jihad coördineerde als rekrutering van Arabische strijders. Voor de oprichters van Al-Qaeda was het verhaal over de geschiedenis van de Maktab al-Khidamat een waarschuwing. Bin Laden en andere Arabieren in Afghanistan waren gefrustreerd over het 'wanbeheer en de slechte behandeling' binnen de Maktab al-Khidamat, die tegen 1988 verwikkeld was geraakt in onderlinge strijd. Tijdens hun eerste bijeenkomst benadrukten de oprichters van Al-Qaeda daarom de noodzaak om een ​​formele organisatie op te richten om dit soort tekortkomingen te voorkomen. Bin Laden en zijn collega's probeerden een organisatie te ontwerpen die toegerust was om de uitdagingen te overwinnen die de Maktab al-Khidamat hadden geteisterd.

De oprichters van Al-Qaeda voorzagen een hiërarchische, op regels gebaseerde organisatie. De notulen van Al Qaeda's eerste bijeenkomsten onthullen dat alle leden de "statuten en instructies" van de groep zouden moeten gehoorzamen. Ze tonen ook de vroege inspanningen van al-Qaeda om specialisatie te vergemakkelijken door de oprichting van commissies, waaronder een adviesraad en een mobilisatiecomité. Elk daarvan zou verantwoordelijk zijn voor verschillende taken. Een later ongedateerd document, vermoedelijk geschreven in de late jaren tachtig of vroege jaren 1990, geeft een uitgebreidere beschrijving van de rollen en verantwoordelijkheden van elk van de commissies en afdelingen van al-Qaeda. Het verklaart bijvoorbeeld dat het militaire comité van Al-Qaeda uit vier secties zou bestaan: algemene strijd, speciale operaties, kernwapens, en de sectie bibliotheek en onderzoek. Het bepaalt ook dat de commandant van het militaire comité minimaal vijf jaar militaire ervaring moet hebben, ten minste 30 jaar oud moet zijn en een universitair diploma moet hebben. 

Een ander oprichtingsdocument, gelabeld door het Centrum voor Terrorismebestrijding op West Point als Al-Qaeda's structuur en statuten, gaat dieper in op de besluitvormingsprocessen en de bevelstructuur van Al-Qaeda. Het maakt duidelijk dat de emir van al-Qaeda de ultieme autoriteit is inzake strategische beslissingen en de benoeming van leiders. Een van de extra verantwoordelijkheden van de emir is om het jaarplan, het budget en de interne structuur van Al-Qaeda te bespreken en uit te voeren. Bovendien krijgt de emir de bevoegdheid om alle leden van de leiderschapsraad, het hoogste beslissingsorgaan van al-Qaeda, te benoemen. Hoewel de leiderschapsraad ogenschijnlijk de toestemming heeft om de emir te vervangen als hij "afwijkt van de Sharia, "Het vermogen van de emir om eenzijdig leden van de raad te benoemen of te ontslaan maakt elke mogelijke beperking van zijn macht aanzienlijk overbodig. Op dezelfde manier heeft de emir de volledige controle over zijn plaatsvervanger, wiens taken, volgens het document, "worden gedelegeerd door de emir". Deze twee clausules zorgen ervoor dat er weinig controle is op de macht van de emir. Fazul Abdullah Mohammed (ook bekend als Fadil Harun), een hoge Al Qaida-functionaris die de ambassade bomaanvallen in 1998 in Oost-Afrika hielp orkesteren, bevestigde later dat het gezag van de emir ongeëvenaard was en dat Bin Laden niet gebonden was aan de beslissingen van al -Qaeda's leiderschapsraad. 

Hoewel de structuur en de statuten duidelijk maken dat het woord van de emir over strategische zaken in essentie onweerlegbaar is, beperkt het ook de betrokkenheid van de emir bij de dagelijkse operaties. De emir zou, volgens het document, een grotendeels hands-off aanpak moeten nemen op operationeel en tactisch niveau. Zijn betrokkenheid zou bovendien beperkt moeten zijn tot deelname aan "periodieke vergaderingen" en het evalueren van de prestaties van ondergeschikten en comités. De verantwoordelijkheid voor de dagelijkse bedrijfsvoering viel onder de voorzitters van de verschillende comités ( bijvoorbeeld militair, veiligheid, politiek, economisch) en hun plaatsvervangers, die over het algemeen toezichthouders worden genoemd. De voorzitter en de stafchef van het militaire comité zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het militaire beleid van Al-Qaeda. Vervolgens zou de leiderschapsraad de implementatie van dit beleid moeten goedkeuren en superviseren. Ten slotte hebben de trainings- en gevechtsspecialisten de taak operationele plannen te ontwikkelen om de doelen en het beleid van de voorzitter en de stafchef te bereiken.

Doctrine in de praktijk brengen

Over de interne dynamiek van al-Qaeda tijdens de eerste jaren in Afghanistan is betrekkelijk weinig bekend. Een verslag van de eerste poging tot internationale operatie van de organisatie geeft echter enig inzicht in hoe de eerste externe operaties van de organisatie werden georganiseerd. In november 1991 werd Paulo Jose de Almeida Santos, een Portugese rekruut van Al-Qaeda, gearresteerd in Rome nadat hij probeerde Mohammed Zahir Shah, de voormalige Afghaanse koning, te vermoorden. In een interview met het Portugese tijdschrift Expresso legde Santos (die de koning wilde doden om zijn terugkeer naar Afghanistan te voorkomen) uit dat hij het complot had voorgesteld aan zijn commandanten in Al-Qaeda. Vervolgens werd hij naar Peshawar gebracht om Abu Hafs al-Masri en Bin Laden te ontmoeten, die hem vroegen naar de reden voor de moordaanslag en Santos' plannen om de aanval uit te voeren. 

Santos interpreteerde het feit dat hij een complot rechtstreeks aan Bin Laden kon voorstellen als een teken dat al-Qaeda in 1991 'ongeorganiseerd' was en een 'goed gedefinieerde hiërarchie' ontbeerde. Er is ongetwijfeld enige waarheid in Santos' oordeel. In 1991 was Al-Qaeda in een stroomversnelling terwijl het probeerde te navigeren in het gewelddadige Afghaanse moedjahedienlandschap. Slechts enkele maanden na Santos mislukte moordaanslag trok al-Qaeda een aanzienlijk deel van zijn vermogen uit Afghanistan en Pakistan. 

Osama Bin Laden
Osama Bin Laden

Er zijn echter andere mogelijke interpretaties van de feiten die Santos beschrijft. Ten eerste kan het gemak waarmee Santos, een grotendeels onbetekenende voetsoldaat, in staat was om met Bin Laden om te gaan, een opzettelijk kenmerk van het organisatieontwerp van Al-Qaeda zijn geweest. Inderdaad, vóór 9/11, trachtte Bin Laden een cultuur van ondernemerschap te bevorderen, de al-Qaeda's rang en bestand aan te moedigen, en zelfs individuen die zich niet officieel bij hem hadden gevoegd, om hem ideeën voor plots en operaties voor te leggen. Nasser al-Bahri, die vóór de aanslagen van 11 september diende als de lijfwacht van Bin Laden, legde uit dat personen die een aanval plannen, de bureaucratie van Al-Qaida konden omzeilen en hun voorstellen rechtstreeks aan Bin Laden en zijn hogere commandanten konden presenteren. Bin Laden of een van zijn vertrouwde afgevaardigden zou dan beoordelen of de voorgestelde aanval past binnen de contouren van de militaire strategie van Al-Qaeda, en als de aanval werd goedgekeurd, werd de verantwoordelijkheid gedelegeerd aan een ondergeschikte om de operatie te plannen en uit te voeren. 

De bereidheid van Bin Laden om aan ondergeschikten kwesties over operationele planning te delegeren, komt ook overeen met de ervaring van Santos. In zijn interview met Expresso legde Santos uit dat Bin Laden "geen bevelen gaf" en zei dat Abu Hafs al-Masri, als het om het plannen van operaties ging, "de echte chef van Al-Qaeda was." Op basis van zijn interacties met deze twee mannen concludeerde Santos dat "of Bin Laden het groene licht gaf of niet, niet belangrijk is." Santos 'interpretatie van de machtsdynamiek van Al-Qaeda op basis van zijn beperkte interacties met zijn hogere regionen was echter onnauwkeurig. Hoewel Bin Laden zich zelden bezig hield met de details van de operationele planning, in 1991, terwijl hij de hoogste autoriteit van Al-Qaida was, was zijn goedkeuring vereist voor alle operaties die in de naam van de organisatie werden uitgevoerd. Dit gold zeker ook voor het complot van Santos, wat de eerste keer was dat al-Qaeda een aanslag probeerde uit te voeren buiten Afghanistan. Nogmaals, er was zeker een zekere desorganisatie binnen Al-Qaeda op dat moment. 

Het verhaal van Santos sluit inderdaad aan bij Al-Qaeda's model van 'centralisatie van besluitvorming en decentralisatie van uitvoering', zoals beschreven door Bin Ladens voormalige bodyguard Nasser al-Bahri. Deze zin geeft een nauwkeurige uitleg van de unieke beheersstructuur van Al-Qaeda, waarbij Bin Laden de haalbaarheid en de strategische waarde van voorgestelde missies beoordeelt en financiële steun verleent, evenals institutionele steun voor plannen die hij goedkeurde, maar vervolgens zijn afgevaardigden toestaat de missie uit te voeren zag er goed uit.

De ervaringen van verschillende andere Al-Qaida-medewerkers over de jaren spiegelen nauw aan bij het model dat Bahri beschreef en dat Santos zonder het te weten weergaf. Mohammed al-Owhali, een van de plotters die betrokken was bij de aanslagen van 1998 op de ambassades van de Verenigde Staten in Nairobi en Dar es Salaam, legde uit dat opperste commandanten in al-Qaeda de aanslagen gepland hadden. Hij meldde ook dat het ongebruikelijk zou zijn geweest als Bin Laden instructies gaf aan lagere functionarissen zoals hijzelf. Owhali gaf toe dat "hem nooit specifiek werd verteld dat (de aanslag van de ambassade) de missie van Bin Laden was", waarmee wordt aangegeven in welke mate Bin Laden zich heeft teruggetrokken uit de operationele planning. Het rapport van de 9/11-commissie wijdde ondertussen een hele afdeling aan "terroristische ondernemers", die volgens de Commissie "aanzienlijke autonomie genoten" in hun operationele planning. 

Het operationele managementmodel 'centralisatie van besluitvorming en decentralisatie van uitvoering' blijft tot op de dag van vandaag bestaan. Het is inderdaad een belangrijke bron van al-Qaida's veerkracht en innovatievermogen. Ten eerste maakt de overdracht van verantwoordelijkheid voor dagelijkse operaties aan commandanten op het middenniveau dat Al-Qaeda adaptief blijft, waardoor operatoren tactieken en operationele plannen kunnen aanpassen als reactie op verschuivende grondcondities. Dit managementmodel heeft ook een diepgaande invloed op de algehele leercapaciteit van Al-Qaeda. Het moedigt aan wat Assaf Moghadam omschrijft als bottom-up-innovatie, waarbij al-Qaida's voetsoldaten en commandanten op het middenniveau in staat zijn om 'lokaal te experimenteren' zonder bureaucratische beperkingen. Experimenteren op lokaal niveau verhoogt de snelheid waarmee Al-Qaeda nieuwe tactieken en strategieën kan ontwikkelen om obstakels te overwinnen die zijn geïntroduceerd door contraterrorisme-actoren. Het voorkomt ook dat de groep vastloopt in vaste gedragspatronen die kunnen worden geïdentificeerd en vervolgens worden verstoord door lokale beveiligingsdiensten.

Omgekeerd heeft het gedecentraliseerde beheermodel van Al-Qaida de organisatie gepositioneerd om efficiënt te herstellen na ontslag door leiders. Al-Qaeda stelt junior functionarissen in staat om risico's te nemen en verantwoordelijkheden aan commandanten te geven die hun ervaring en kennis ver overstijgen. Deze keuzes brengen een zeker risico met zich mee, omdat sommige jonge commandanten slecht toegerust zijn om deze plichten te vervullen of misschien te ijverig zijn in de uitvoering ervan. Niettemin levert deze aanpak ook ervaren jonge ambtenaren op die in staat zijn een leiderschapsvacuüm te vullen als hun meerderen van het slagveld worden verwijderd. De vaak geciteerde beoordeling dat al-Qaeda een "diepe norm" heeft, moet daarom begrepen worden in de context van de managementstijl van Al-Qaeda. Het succes van Al-Qaeda in het vervangen van belangrijke leiders is voor een groot deel een product van de focus op de professionele ontwikkeling van juniorcommandanten.

Binnen de analytische gemeenschap heeft Al-Qaeda's gedecentraliseerde operationele model verwarring gecreëerd over de relatieve invloed van zijn senior leiderschap. De hands-off rol gespeeld door Bin Laden en andere senior Al-Qaeda commandanten in de operationele planning is vaak verkeerd ingeschat, vooral in het post-9/11-tijdperk, als een teken van een groeiende kloof tussen het leiderschap van Al-Qaeda en regionale partners. Deze interpretatie misleidt echter fundamenteel de aard van de besluitvormingsprocessen van Al-Qaeda. Het al Qaida-topmanagement is van huis uit niet nauw betrokken bij de dagelijkse activiteiten van filialen en cellen over de hele wereld. Het meten van de betrokkenheid van leidinggevenden bij operationele planning is dus een onnauwkeurig middel om de algehele rol van leiderschap in het wereldwijde netwerk te beoordelen. De mate waarin de operaties en acties die worden uitgevoerd door de verschillende gelieerde ondernemingen van Al-Qaeda aansluiten bij en vooruitgaan op bredere strategische doelen, is een zinvoller metriek. Zoals de basisdocumenten van Al-Qaida duidelijk maken, is de primaire rol van de emir - en daarmee de plaatsvervangende emir en leiderschapsraad - het opstellen van een strategische visie door de ontwikkeling van jaarplannen, begrotingen en structuren. Hier kan een onderscheid worden gemaakt tussen de persoon die regeert en de persoon die heerst. De emir regeert door te dienen als de hoogste autoriteit, terwijl aangewezen ondergeschikten heersen door het instellen en uitvoeren van beleid.

Bin Laden en zijn opvolger, Ayman al-Zawahiri, hebben dit operationele model in de praktijk gebracht. Ze schetsen strategische prioriteiten en richtlijnen en geven regionale commandanten ruime speelruimte om deze prioriteiten aan te passen aan lokale omstandigheden. Veel analisten, zowel binnen als buiten de overheid, hebben lang beweerd dat deze managementstijl ervoor heeft gezorgd dat al-Qaeda steeds meer gedecentraliseerd en diffuus wordt. Maar Fazul Abdullah Mohammed, een van de planners van de bomaanslagen in 1998, presenteert een overtuigend tegenargument. In zijn memoires beweerde Fazul dat Al-Qaida een gecentraliseerde organisatiestructuur bezat, maar hij onderscheidde de structuur van Al-Qaeda van "een saaie vorm van centralisatie". Fazul verklaarde dat "elke persoon in al-Qaida verantwoordelijk is voor zijn eigen werk en heeft volledige autoriteit om zijn taken uit te voeren." Assaf Moghadam heeft eveneens gesteld dat de managementstijl van al-Qaeda van bovenaf is, in die zin dat de top de bodem nodig heeft om missies uit te voeren. Met andere woorden, de autoriteit om een ​​plan uit te voeren wordt gedelegeerd aan ondergeschikten. 

Al-Qaida werkt efficiënter door middenmanagers en juniorcommandanten te machtigen. Aan de ene kant creëert deze regeling zeker kansen voor schurken ondergeschikten om de dictaten van de leiding ongehoorzaam te zijn, een risico dat zich heeft gemanifesteerd in het nu en dan verhitte geschil tussen senior leidinggevenden en aangeslotenen. In het geval van de Islamitische Staat ( ISIS ) was er een volledige breuk tussen het leiderschap en een aangeslotene. Maar aan de andere kant kan deze structuur ook - misschien contra-intuïtief - de invloed van Al-Qaeda's leiderschap versterken. Wanneer commandanten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering zich houden aan de strategische richtlijnen die door de leiding zijn geformuleerd, zijn de vermogensprojectiemogelijkheden van al-Qaeda verbeterd dan datgene wat het leiderschap op zichzelf zou hebben kunnen bereiken.

Om de commando- en controlemogelijkheden van al-Qaeda Central binnen haar bestaande organisatorische raamwerk te beoordelen, zijn twee factoren relevant. De eerste factor betreft de capaciteit van Al-Qaeda voor verticale communicatie, het vermogen van de organisatie om informatie te verspreiden tussen verschillende niveaus van haar hiërarchie. De senior leiders van Al-Qaeda moeten effectief kunnen communiceren met ondergeschikten om ervoor te zorgen dat beslissingen die op operationeel niveau worden genomen aansluiten bij en ondersteunen van overkoepelende doelstellingen. Communicatie van ondergeschikten naar leiderschap is ook essentieel. Hoewel de bevelvoerders van al-Qaeda een grote flexibiliteit krijgen bij het aanpassen van strategische plannen, moeten ze toch in contact blijven staan ​​met hun meerderen om veranderingen in de operationele omgeving door te geven en toekomstige plannen te bespreken. 

De tweede factor heeft betrekking op het vermogen van al-Qaeda om ervoor te zorgen dat ondergeschikten handelen op een manier die gelijk is met de strategische belangen van de groep. Al-Qaeda's organisatiemodel maakt het vatbaar voor voorkeurstussenstand. Dat wil zeggen, de belangen van actoren die belast zijn met de uitvoering van het strategische plan van Al-Qaida kunnen niet gelijk zijn aan die van de leiders, die het plan hebben ontworpen. Een zekere mate van verspreiding is onvermijdelijk, omdat actoren in verschillende werkomgevingen verschillende prioriteiten en zorgen zullen hebben. Problemen doen zich voor wanneer operationele commandanten de bredere doelstellingen van Al-Qaeda ondermijnen door consequent beslissingen te nemen die hun eigen belangen bevorderen en de richtlijnen van het leiderschap tegenspreken. In de meeste organisaties bestaat dit conflict tussen de principaal (het leiderschap van Al-Qaeda) en de agent (commandanten van het slagveld), maar in het geval van Al-Qaeda is het bijzonder uitgesproken. Dit komt omdat de leiding een aanzienlijke verantwoordelijkheid delegeert aan ondergeschikten en beperkingen oplegt aan de handhavingsmacht buiten zijn kleine geografische bolwerk.

Om voorkeursschendingen in bedwang te houden en effectief te beheren, moet het leiderschap van Al-Qaeda zich zorgvuldig houden aan zijn organisatorische procedures en tegelijk de loyaliteit van zijn ondergeschikten behouden. Vóór 9/11 bekritiseerde en bekrachtigde Al-Qaeda's leiderschap systematisch operationele commandanten die afdwaalden van strategische richtlijnen. In de loop van de tijd is Al-Qaeda Central echter minder in staat om zijn dochterondernemingen effectief te disciplineren. De taak van disciplineren is moeilijker geworden nu de organisatie geografisch blijft uitbreiden met meer gelieerde ondernemingen. De verminderde financiële hefboom van Al-Qaeda Central beperkt ook zijn directe dwangkracht ten opzichte van ondergeschikten. Sinds 9/11 moet het senior leiderschap van Al-Qaeda bovendien aandacht besteden aan de bescherming van zichzelf, omdat het een belangrijk doelwit is van antiterreurdiensten. Ondanks dit alles heeft een openbare reprimande van een vooraanstaande Al-Qaeda-leider nog steeds een aanzienlijke invloed binnen de organisatie.

In de loop van enkele decennia hebben de leiders van al-Qaeda duurzame relaties opgebouwd met jihadisten over de hele wereld. Deze persoonlijke relaties, vaak gestold op het slagveld of via het huwelijk en uitgebreide familienetwerken, dienen als een bindende kracht en een buffer tegen ongehoorzaamheid in al-Qaeda's gelederen. Al-Qaida is effectief geweest in het opbouwen van een merk en een missie waaraan zijn dochterondernemingen over het algemeen sterk betrokken zijn. Deze loyaliteit is een krachtige bron van organisatorische cohesie geweest en een die analisten hebben onderschat. Analisten hebben bijvoorbeeld massaal de status van ISIS overschat tijdens haar competitie met al-Qaeda, waardoor ze de dachten dat al-Qaeda-afdelingen tussen 2014 en 2016 overlopen naar hun jihadistische rivaal. 

In het cultiveren van loyaliteit en loyaliteit onder zijn gelieerde ondernemingen, verkrijgt al-Qaeda Central indirecte dwangkracht. Een jihadistische groep die tekortschiet van al-Qaida of in botsing komt met zijn leiderschap, is mogelijk niet in staat om nieuwe relaties aan te gaan met regionale jihadistische groepen die in lijn blijven met al-Qaida. Zowel al-Qaeda in de Islamitische Maghreb en al-Shabaab hielpen bijvoorbeeld Boko Haram organisatorisch te ondersteunen toen de Nigeriaanse regering het in 2009 neerhaalde. Boko Haram liep vervolgens over naar ISIS in 2015, een beslissing die haar bekwaamheid zou hebben belemmerd worden bijgestaan ​​door al-Qaeda-gerichte jihadistische organisaties, met name toen de groep werd geconfronteerd met een vier-landen-offensief ertegen. 

De geschiedenis van Al-Qaeda's organisatiestructuur is er een van een strijd om robuuste communicatienetwerken te onderhouden, afdelingen effectief te disciplineren en eenheid te bevorderen in het licht van belangrijke interne en externe uitdagingen. Terwijl overheden haar elektronische antiterreurmethode verbeterden, werd het vermogen van al-Qaida om te communiceren via zijn netwerk merkbaar belemmerd. Herhaalde fysieke verplaatsing heeft zijn tol geëist van de cohesie binnen de organisatie. Strijders met afwijkende meningen hebben soms gedreigd de organisatie uit elkaar te halen. Ondanks deze verstoringen is de fundamentele organisatiestructuur waarop Al-Qaeda werd gebouwd echter intact gebleven. Al-Qaeda heeft de voorspellingen van analisten vaak getart en de doeltreffendheid aangetoond van het "centralisatie van besluitvorming en decentralisatie van uitvoering" -model.

De eerste test

Er wordt vaak verondersteld dat de organisatorische eenheid van Al-Qaida voor het eerst werd bedreigd na de Amerikaanse invasie van Afghanistan in oktober 2001, maar de eerste echte test voor de veerkracht van al-Qaida vond ongeveer een decennium eerder plaats. In 1989 werd Bin Laden persona non grata in Pakistan nadat hij naar verluidt parlementsleden had omgekocht om een ​​motie van wantrouwen tegen de regering van Benazir Bhutto te steunen. Na de terugkeer van Bin Laden in Saoedi-Arabië bleef de infrastructuur van Al-Qaeda in Afghanistan en Pakistan grotendeels slechts voor een korte tijd intact. Abu Ubaidah al-Banshiri en Abu Hafs al-Masri, beiden bekwame Egyptische militaire commandanten, voerden de trainingskampen van de organisatie aan nadat Bin Laden vertrokken was. Maar toen de spanningen tussen de mujahedinfracties escaleerden tot geweld in 1992, nadat de communistische regering van Mohammad Najibullah instortte, begonnen Arabische militanten Afghanistan te verlaten (hoewel er vrij veel bleven en zich ontwikkelden). Een andere grote klap tegen Al-Qaeda's Afghanistan-Pakistan-netwerk kwam er in 1993, toen de Pakistaanse regering, in reactie op beschuldigingen dat het terroristen huisvestte, begon Arabieren uit het land te verdrijven. Deze twee gebeurtenissen hebben de veilige haven van Afghanistan en Pakistan voor Al-Qaeda aanzienlijk verminderd.

Al-Qaeda paste zich relatief snel aan deze terugval aan, grotendeels door zijn operationele hub te verplaatsen naar Soedan, waar Bin Laden sinds 1992 woonde. Vanuit Soedan versterkten bin Laden en andere Al-Qaeda-bevelhebbers de organisatie door drie inspanningen. Ten eerste verhoogde Bin Laden de betrokkenheid van al-Qaeda in de legale economie van Soedan door investeringen in de landbouw- en constructie-industrie. Ten tweede probeerde Al-Qaeda de relaties met andere jihadistische groepen in Soedan te verstevigen, waaronder de Libyan Islamic Fighting Group ( LIFG ) en de Egyptische Islamitische Jihad ( EIJ).), twee groepen die eerder contact hadden gehad met Al-Qaida in Afghanistan. Deze pogingen om bruggen te slaan met andere jihadistische groepen hadden in deze periode een gemengd succes. De derde en belangrijkste inspanning om de organisatie te versterken, betrof internationale inspanningen. Door middel van kleine verkenningsploegen en frontorganisaties zoals die van de Benevolence International Foundation, ontwikkelde Al-Qaeda relaties met gelijkgestemde militante groepen en ondersteunde jihadisten bij het bestrijden van militaire campagnes over de hele wereld. Zoals het rapport van de Commissie 11/11 uitlegt, heeft Bin Laden dit bereikt door de oprichting van wat hij de Shura van het Islamitische Leger noemde:

Deze ontluikende afspraken legden de basis voor de latere inspanningen van al-Qaeda om verder uit te breiden door banden aan te gaan met jihadistische groepen over de hele wereld.

Een van Al-Qaida's robuustere internationale hulpinspanningen tijdens deze periode vond plaats in de Hoorn van Afrika. Eind 1992 zette Bin Laden een team van agenten in, onder leiding van de Egyptenaar Abu Ubaidah al-Banshiri, om een ​​nieuwe veilige haven voor al-Qaeda in de regio te ontwikkelen. De Hoorn van Afrika zou worden gebruikt als een platform voor operaties op het Arabische schiereiland. De volgende jaren probeerde Al-Qaeda zich te integreren in het Somalische militante landschap en operationele en ondersteunende netwerken in de regio op te bouwen. De netwerken en relaties die al-Qaeda in het begin van de jaren negentig in Oost-Afrika ontwikkelde, zouden enkele jaren later nuttig blijken, toen al-Qaeda een nieuw team in gebruik nam om aanvallen op de belangen van de Verenigde Staten in de regio te plannen. Hun inspanningen leidden uiteindelijk tot het bombarderen van de ambassades van de Verenigde Staten in Kenia en Tanzania in 1998, en creëerden ook de basis voor de opkomst van op Somalië gebaseerde militante groepen. Onder deze groepen bevonden zich de Islamic Courts Union ( ICU ) en al-Qaeda's krachtige Somalische partner al-Shabaab, die zelf voortkwam uit de jeugdafdeling van de ICU. Ondanks de vroege uitdagingen waren de inspanningen van al-Qaeda in de Hoorn van Afrika op de lange termijn overweldigend succesvol.

Hedendaagse analisten hadden een zwak beeld van de organisatiestructuur van al-Qaida tijdens de tijd van de groep in Soedan en van de samenhang van de jihadistische beweging in deze periode. Een National Intelligence Estimate uit 1995 concludeerde dat de jihadistische beweging bestond uit 'voorbijgaande groeperingen van individuen 'die niet over een organisatie beschikten maar veeleer losse bondgenoten'. Sommige functionarissen van de Verenigde Staten beschouwden Bin Laden ook als een speler in de jihadistische scene, een ambitieus en welvarend persoon die weinig verdiende door met zijn geld te gooien. In 1998 beweerde Vince Cannistraro, die tot 1991 een hoge positie bekleedde in het Counterterrorism Center van de CIA, "een groep kan iemand als Bin Laden om geld vragen om een ​​operatie op individuele basis uit te voeren ... En bin Laden zal het doen zolang het past bij zijn religieuze doelen." Deze afwijzende meningen over Al-Qaeda en Bin Laden zowel tijdens als vlak na zijn tijd in Soedan markeren de eerste, maar niet de laatste keer dat de analytische gemeenschap de Al-Qaeda-organisatie onderschatte. Opgemerkt moet worden dat de organisatiestructuur van Al-Qaida inderdaad minder robuust was en dat het lidmaatschap minder groot was dan het geval zou zijn nadat het terugging naar Afghanistan. Toch bleek al-Qaeda in staat internationale operaties te organiseren, fondsen te werven voor jihadistische campagnes over de hele wereld en militaire training te faciliteren.

Getuigenissen van het Hof, gegeven door Jamal al-Fadl, een lid van Al-Qaida dat informant werd voor de regering van de Verenigde Staten na het verduisteren van meer dan $ 100.000 van de jihadistische organisatie, geeft inzicht in het bereik en de mogelijkheden van Al-Qaida in zijn tijd in Soedan. De getuigenis van Al-Fadl geeft aan dat de groep nauw betrokken was bij het verplaatsen van rekruten, wapens en materieel naar slagvelden over de hele wereld. Al-Fadl legde bijvoorbeeld uit dat Al-Qaeda een kantoor in Bakoe exploiteerde dat wapens en voorraden kocht en materiaal en rekruten naar Tsjetsjenië smokkelde. Om geen aandacht te vestigen op zijn activiteiten in Tsjetsjenië, werkte Al-Qaeda via de Benevolence International Foundation ( BIF ), die functioneerde als een van zijn frontorganisaties in Bakoe. BIF speelde ook een belangrijke rol bij de ondersteuning van jihadistische figuren in Bosnië. De organisatie produceerde propagandamateriaal gericht op het aantrekken van jihadi's voor het conflict in Bosnië; gekochte wapens en ander militair materieel; financiële steun aan de families van militanten die in Bosnië vechten; en georganiseerde trainingskampen voor lokale en buitenlandse strijders. 

De sterke punten van al-Qaida's organisatorische capaciteiten in Soedan worden verder bewezen door het vermogen zich aan te passen aan verschillende contexten en militaire training in moeilijke omstandigheden te ondersteunen. Volgens al-Fadl raakte de Soedanese regering onrustig omdat Al-Qaida in Soedan krachtige trainingsprogramma's kon uitvoeren. Dit was waarschijnlijk te wijten aan de politieke gevolgen van de Egyptische regering na de mislukte moordaanslag op de Egyptische leider Hosni Mubarak in juni 1995, die verband hield met Egyptische militanten uit Soedan.  Desalniettemin kon al-Qaeda, samen met andere militante groepen die hun toevlucht zochten in Soedan, daar verschillende trainingsfaciliteiten opzetten. Al-Fadl merkte op dat deze faciliteiten voornamelijk opfriscursussen gaven aan militanten die al ervaring hadden op het slagveld. Al-Qaeda gebruikte ook zijn kampen in Soedan om chemische wapens te testen, die, indien ontwikkeld, aan de Soedanese regering zouden worden verstrekt ter ondersteuning van de strijd tegen rebellen in Zuid-Soedan. Samen met hun werk in Soedan hielden de medewerkers van Al-Qaeda een training in het oosten van Afghanistan, ondanks de eerder genoemde afname van de aanwezigheid in het land, hulp aan islamitische militante groepen in Somalië en training van Hezbollah-agenten in Zuid-Libanon. Dus terwijl het in Soedan was gevestigd, voerde Al-Qaida trainingen uit in meerdere landen, waarbij het zijn activiteiten afstemde op de eisen en uitdagingen van de lokale omgeving waarin het opereerde.

Al-Qaeda's internationale activiteiten en groeiprofiel trokken uiteindelijk ongewenste aandacht naar zijn aanwezigheid in Soedan. Als gevolg hiervan eiste de Sudanese regering in 1996, onder druk van de Verenigde Staten en andere landen, dat Al-Qaeda het land zou verlaten. Het verlies van de Soedanese veilige haven was een tegenvaller, maar de organisatorische infrastructuur en het wereldwijde netwerk dat Al-Qaeda had gecultiveerd, diende als een basis, die de jihadistische groep verder zou bouwen op zijn terugkeer naar Afghanistan.

De jihadistische Behemoth

In Afghanistan van 1996 tot 2001 bereikte Al-Qaeda zijn hoogtepunt als een hiërarchische en bureaucratische organisatie. Opererend vanuit veilige havens in Zuid- en Oost-Afghanistan, heeft Al-Qaida zijn bureaucratische structuur verder geprofessionaliseerd en een uitgebreid, meer-fases trainingsproces opgezet voor leden en rekruten. De infrastructuur die Al-Qaeda in Afghanistan ontwikkelde, maakte het mogelijk honderden nieuwe rekruten op te nemen, de capaciteiten van de huidige leden te verbeteren en een reeks complexe operaties te orkestreren, het meest prominent de aanslagen van 11 september. Naarmate de bureaucratische structuur van Al-Qaida zich uitbreidde, behield het het beheersmodel 'centralisatie van besluitvorming en decentralisatie van uitvoering' en bleef het flexibel en innovatief.

Hoewel de verhuizing naar Afghanistan uiteindelijk een zegen voor Al-Qaeda zou zijn, was de overgang vanuit Soedan vol uitdagingen. Al-Qaida moest aanzienlijke middelen investeren in het opbouwen van trainingskampen in Afghanistan, terwijl ze tegelijkertijd het vluchtige politieke landschap van het land moesten bevaren. De macht van sommige mujahedin-bevelvoerders waarmee al-Qaeda een nauwe verstandhouding had ontwikkeld, was afgenomen, terwijl de Taliban snel terrein veroverden. Al-Qaeda ondervond ook financiële problemen toen het verhuisde. Sommige bezittingen van Bin Laden in Soedan - meer dan $ 30 miljoen, volgens een schatting 59 - waren bevroren toen hij naar Afghanistan vertrok, wat weinig nieuwe economische kansen bood.

De succesvolle uitbreiding van Al-Qaeda tegenover deze obstakels getuigt ook weer van veerkracht. Binnen vier jaar na zijn verhuizing naar Afghanistan had al-Qaeda een uitgebreid netwerk van trainingskampen opgezet met onder meer cursussen in het maken van explosieven, guerrillaoorlogvoering en documentvervalsing. Al-Qaida bood ook train-the-trainer cursussen aan, gericht op het verbeteren van zijn eigen capaciteiten, evenals die van andere militante groepen. Naarmate het netwerk van trainingskampen van al-Qaeda groeide, overwogen senior leiders hoe zij het beheer van de uitbreidende activiteiten van de organisatie konden verbeteren. In een brief geschreven in november 1998, drong Abd al-Hadi al-Iraqi, een senior Al-Qaida-lid en een trainer in verschillende kampen, er bij de prominente Egyptische militaire commandant Saif al-Adel op aan om een ​​personeelsbeheersysteem op te zetten vanwege veel binnenkomende rekruten en leden. Al-Iraqi merkte op dat het personeelsdossier van elk lid informatie zou moeten bevatten over training en ervaring op het slagveld, evenals prestatiebeoordelingen van supervisors. Dit systeem, zo hoopte al-Iraqi, zou een arbitrair promotieproces voorkomen en de afhandeling van nieuwe rekruten stroomlijnen.

Talloze documenten die na 9/11 zijn ontdekt, tonen aan dat Al-Qaida de aanbevelingen van al-Iraqi heeft uitgevoerd en ook heeft geprobeerd het personeelssysteem verder te professionaliseren. Een document dat inzicht geeft in de bureaucratische praktijken van al-Qaeda is een aanvraag die werd ingevuld door José Padilla, een in Amerika geboren bekeerling, in juli 2000. Dit document, dat werd uitgegeven door de personeelsafdeling van de militaire vleugel van Al-Qaeda, vereiste Padilla om informatie te verstrekken over onder meer zijn educatieve en religieuze achtergrond, buitenlandse reizen, gezondheidsstatus en militaire ervaring. Het bevatte ook een sectie die moest worden ingevuld door al-Qaeda-beheerders, die informatie nodig hadden over de paspoort-, visa- en ticketstatus van Padilla.

Wall Street Journal- verslaggever Alan Cullison, die onverwachts twee van de meest waardevolle computers van Al-Qaida verkreeg na schade aan zijn eigen laptop, wat hem dwong om Kabul's computerverkopers te leren kennen en ontdekte verder bewijs van Al-Qaida's nauwgezette administratieve praktijken. Cullison legde uit dat de digitale bestanden van al-Qaida een "netwerk van mappen en submappen bevatten die de organisatiestructuur van de groep overzichtelijk maakten" en bespraken "begrotingen, trainingshandleidingen voor rekruten en scoutrapporten voor internationale aanvallen." Al-Qaeda integreerde deze bureaucratische processen in haar dagelijkse activiteiten. Anne Stenersen merkt op dat rekruten zich vooraf moesten inschrijven voor trainingskampen op het kantoor van Mujahedin Affairs, voordat ze zich op een 'aangewezen datum' moesten melden op hun trainingskamp. 

De uitgebreide opleidings- en organisatie-structuur die Al-Qaeda in Afghanistan ontwikkelde, was een integraal onderdeel van de inspanningen van de organisatie om de ledenratio's uit te breiden. In de periode vóór 9/11 was Al-Qaeda een van de verschillende jihadistische groepen die strijden om rekruten in Afghanistan. Volgens de inschatting van Abu Musab al-Suri hadden veertien verschillende groepen trainingskampen in het land tegen het einde van 1999. Al-Qaida's vermogen om nieuwe rekruten op te nemen, was echter superieur aan die van andere groepen. Al-Qaida's trainingsprogramma's waren ook uitgebreider en de trainers ervan hadden meer ervaring dan andere militante groepen. Bovendien deed Al-Qaida's transnationale visie beroep op strijders van alle nationaliteiten. Om deze redenen kon Al-Qaeda profiteren van de toestroom van nieuwe rekruten die na de ambassade-aanvallen van 1998 in Afghanistan naar Afghanistan stroomden.

Vanuit zijn veilige haven in Afghanistan heeft Al-Qaeda zich beziggehouden met het studeren van organisatorische processen en zijn operationele capaciteiten verbeterd. Cullison ontdekte dat al-Qaeda-medewerkers die gevoelige operationele kwesties bespraken, codewoorden en een cryptografisch systeem gebruikten om te communiceren. Hoewel het cryptografisch systeem van Al-Qaida nogal basaal was, vereiste het nog steeds coördinatie, wat aangeeft dat de organisatie standaard werkprocedures had opgesteld voor interne communicatie. Een van de meer huiveringwekkende documenten op de computers besprak de ontluikende inspanningen van al-Qaeda om een ​​biologisch en chemisch wapenprogramma te ontwikkelen. In een brief aan Abu Hafs al-Masri schetste Ayman al-Zawahiri de 'destructieve kracht' van deze wapens en gaf een korte bespreking van artikelen die Al-Qaida kunnen helpen zijn onconventionele wapenvermogens te verbeteren. Amerikaanse troepen ontdekten later een videoband waarin al-Qaeda's chemische wapens op honden werden getest. 

Naarmate de bureaucratie van al-Qaeda meer werd geprofessionaliseerd, stootte het op een probleem dat bekend was bij veel groeiende organisaties: micro-management. In één brief opgeslagen in de gegevensbestanden hersteld door Cullison, nam Zawahiri een Jemenitische functionaris de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor het niet verstrekken van een uitgebreide boekhouding van recente uitgaven. Zawahiri's kritiek omvatte vragen over waarom de Yemeni een computer hadden gerenoveerd en een nieuw faxapparaat hadden gekocht, toen volgens Zawahiri de Jemenitische cel al twee faxmachines had. 

Micro-management terzijde, al-Qaeda probeerde een cultuur te behouden waarin commandanten op een lager niveau de bevoegdheid kregen om initiatief te nemen en vorm te geven aan de implementatie van strategische plannen. Inderdaad, het verhaal achter de conceptie van de aanslagen van 11 september illustreert de inspanningen van al-Qaeda om een ​​bottom-up innovatiemodel te handhaven, zelfs als het meer bureaucratisering nastreefde. Toen Al-Qaeda zich in 1996 vestigde in Afghanistan, benaderde Khalid Sheikh Mohammed Bin Laden met een groots plan om vliegtuigen te kapen en te verpletteren naar prominente gebouwen in de Verenigde Staten. Bin Laden verwierp in eerste instantie het voorstel van Mohammed, naar verluidt omdat Al-Qaeda niet over de nodige fondsen beschikte. Begin 1999 had al-Qaeda echter een financiële injectie ontvangen van externe bronnen, en toen Mohammed Bin Laden opnieuw benaderde met een minder ambitieuze versie van zijn oorspronkelijke plan, kreeg hij een groen licht om verder te gaan. 

Andere medewerkers van Al-Qaeda konden op dezelfde manier innoveren en creatief nadenken over externe operationele planning. Abd al-Rahim al-Nashiri, het brein achter de USS Cole-aanval, werd voor het eerst naar Jemen gestuurd in 1998 en belast met het opsporen van potentiële Amerikaanse doelen. In de komende twee jaar voerde Nashiri verkenningen uit en bouwde zijn netwerk in Jemen, en keerde regelmatig terug naar Afghanistan om verslag uit te brengen aan Bin Laden. Bin Laden assisteerde Nashiri bij zijn operationele planning - toen Nashiri worstelde om marineschepen van de Verenigde Staten voor de westkust van Jemen te vinden, stelde Bin Laden dat hij zich in plaats daarvan op de haven van Aden richtte, maar Nashiri behield een zekere discretie bij het selecteren van agenten en het bedenken van aanvallen.

Een goed overzicht van de drie meest prominente aanvallen van al-Qaeda terwijl de groep in Afghanistan was - de ambassadebomaanslagen in 1998, de aanval door USS Cole en de operatie 9/11 - onthult een ander aspect van de managementaanpak van de organisatie. Het 9/11 Commission Report geeft aan dat Bin Laden persoonlijk de kapers heeft gekozen die deze operatie zouden uitvoeren. Evenzo probeerde Bin Laden de agenten te vervangen die Nashiri koos om de USS Cole-aanval uit te voeren, hoewel zijn keuze uiteindelijk werd afgewezen door Nashiri. Deze twee acties lijken in tegenspraak te zijn met Al-Qaeda's principe van "decentralisatie van de uitvoering", aangezien het kiezen van voetsoldaten voor een aanval over het algemeen wordt verondersteld een verantwoordelijkheid van de veldcommandant te zijn. Maar de betrokkenheid van Bin Laden bij het selecteren van medewerkers voor deze plots kan in feite versterken, de hands-off benadering van de operationele leiding door de Al-Qaeda-leiding. Bin Laden was van plan vrijwel alle verantwoordelijkheden te delegeren voor het coördineren en voorbereiden van aanvallen op ondergeschikten, maar hij moest ervoor zorgen dat de personen die deze taken op zich namen competent en betrouwbaar waren. Hand-picking medewerkers voor een aanval was daarom een ​​oefening in kwaliteitsborging. Dat Bin Laden niet betrokken lijkt te zijn geweest bij het selecteren van medewerkers voor de ambassade in 1998, kan inhouden dat hij het niet noodzakelijk achtte. In die tijd werd het Oost-Afrikaanse netwerk van al-Qaeda geleid door Abu Muhammad al-Masri, een van de oorspronkelijke leden van de jihadistische organisatie. Hij was op dat moment al enkele jaren actief in Oost-Afrika en had waarschijnlijk het vertrouwen van Bin Laden verdiend lang voordat de aanvallen werden gelanceerd. De logica achter het selecteren van medewerkers voor de eerder genoemde aanvallen is vergelijkbaar met die achter de huidige betrokkenheid van al-Qaeda-leiding bij het kiezen van, of op zijn minst, het goedkeuren van de emirs van regionale filialen. 

Ondanks de voortdurende inspanningen van al-Qaeda om de decentralisatie van de implementatie te ondersteunen, zou er weinig twijfel over mogen bestaan ​​dat Al-Qaeda functioneerde als een hiërarchische en steeds professionelere organisatie tijdens haar latere jaren in Afghanistan. Toch beschouwden sommige waarnemers Al-Qaida nog steeds als een diffuus netwerk en werden de organisatorische capaciteiten ervan onderschat. Misschien verscheen de meest misleidende karakterisering van hoe Al-Qaeda destijds functioneerde in een profiel van Bin Laden uit New York van januari 2000 , waarin werd beweerd dat Al-Qaeda een robuuste interne structuur miste. Het artikel bevatte verschillende citaten van voormalig antiterrorismebeambte David Long van het State Department, die opperde dat Al-Qaeda leek op 'een informele broederschap [in plaats van] een duidelijk, uitstekend netwerk', en beweerde dat de groep het best werd beschreven als een 'verzamelhuis van welke andere groepen geld, training en logistieke ondersteuning ontlokken. " 

De neiging van sommige overheidsfunctionarissen om de organisatiestructuur en -capaciteit van Al-Qaida te bagatelliseren, kan van invloed zijn geweest op het vermogen van de inlichtingengemeenschap van de Verenigde Staten om te anticiperen op een complexe operatie zoals 9/11. Sommige pre-9/11-intelligence-evaluaties hebben wel nota genomen van de trainingsactiviteiten en de ontluikende organisatiestructuur van al-Qaeda. In een CIA- rapport, getiteld Afghanistan: een incubator voor internationaal terrorisme, werd bijvoorbeeld vastgesteld dat Afghanistan "bin Laden een relatief veilige werkomgeving biedt om toe te zien op de wereldwijde terroristische activiteiten van zijn organisatie", en benadrukte dat trainingskampen in het land "de basis zijn van het wereldwijde mujahidin-netwerk."  Terwijl desk officers bij de CIA en andere instanties  de steeds geavanceerdere trainingsactiviteiten van al-Qaida documenteerden, het is niet evident dat senior beleidsmakers de "ernst van de dreiging" niet op waarde schatten. Zoals het rapport van de 9/11 Commissie uitlegde, debatteerden overheidsfunctionarissen nog steeds over de vraag of al-Qaeda "een groot probleem" was op 4 september 2001.

Zoals te verwachten, elimineerden de aanslagen van 11 september elke twijfel over de capaciteiten van al-Qaida. De aanslagen hebben ook snel de zienswijze achterhaald hoe al-Qaeda's activiteiten en capaciteiten vóór september 2001 waren geregeld. De Amerikaanse invasie van Afghanistan ontmantelde al snel snel de fysieke infrastructuur van Al-Qaida en verstoorde de bureaucratie die de groep jarenlang had gebouwd. Al-Qaeda's senior leiders verspreidden zich over het Midden-Oosten en Zuid-Azië.

Opmerkelijk genoeg paste Al-Qaeda zich aan deze uitdagingen aan en handhaafde tegelijkertijd de organisatorische samenhang en besluitvorming, en breidde het zijn geografische aanwezigheid en bereik uit. De organisatie waar analisten in de nasleep van 9/11 mee werden geconfronteerd, zou echter aanzienlijk moeilijker te volgen/begrijpen zijn dan de organisatie die vóór 9/11 had gewerkt.

Al-Qaeda in Flux

In november 2002 kwamen verschillende vooraanstaande Al-Qaeda-leiders en -partners bijeen voor een bijeenkomst in Iran, waar de organisatie ruimte had gevonden om te blijven opereren na de Amerikaanse invasie in Afghanistan. Hoewel de bijeenkomst niet een volledige bijeenkomst was van al-Qaida's shura- raad ( bin Laden, Zawahiri en andere topleden in die tijd in Pakistan) - maar het was niettemin een zeldzame gebeurtenis waarop meerdere leiders van al-Qaeda bijeenkwamen om over de zaken van de organisatie te vergaderen. Een deelnemer was Abu Musab al-Suri, die al-Qaeda had aangespoord om niet langer externe operaties te plannen terwijl de groep onder de bescherming van de Taliban stond. Suri's zorgen over wat er zou gebeuren als Al-Qaeda een grote aanslag vanuit Afghanistan zou lanceren, werd bevestigd in de nasleep van 9/11. Zoals hij had voorspeld, stortte het emiraat van de Taliban ineen na de invasie van de Verenigde Staten en de trainingskamp-infrastructuur van al-Qaeda werd er mee verpletterd. Tegen de tijd van de bijeenkomst van november 2002 in Iran jaagden Amerikaanse en geallieerde troepen al-Qaida's leden achterna. Tegen die tijd waren verschillende prominente jihadisten, inclusief general manager Abu Hafs al-Masri, vermoord of gevangengenomen. Suri geloofde dat onder deze omstandigheden al-Qaeda niet kon overleven als een gecentraliseerde organisatie. Hij stelde voor dat Al-Qaeda zijn hiërarchie zou ontmantelen, zijn netwerken over de hele wereld zou verspreiden en een model van 'leiderloze jihad' zou nastreven, waarbij individuen en kleine cellen die niet door Al-Qaeda waren geleid de verantwoordelijkheid op zich zouden nemen voor het voortzetten van de militaire campagne.

Suri presenteerde dit voorstel voor een leiderloze jihad op wat waarschijnlijk het meest kwetsbare punt in de geschiedenis van al-Qaeda was. De leiders waren uiteengedreven en communicatie tussen organisaties werd steeds gevaarlijker naarmate de Verenigde Staten hun elektronische toezichtmogelijkheden opvoerden. Special forces van de Verenigde Staten voerde routinematig raids uit om Al-Qaeda-commandanten te doden of te vangen en gebruikte informatie verzameld tijdens één operatie werd gebruikt om extra aanvallen aan te moedigen. Een leiderloos organisatiemodel, dat leden in staat zou hebben gesteld de banden met elkaar te verbreken en autonoom te opereren, heeft mogelijk deze problemen opgelost.

Het feit dat Al-Qaeda het voorstel van Suri niet heeft overgenomen en sinds de bijeenkomst van november 2002 in Iran nog nooit een dergelijk beleid heeft overwogen, is aanzienlijk. Zelfs toen de organisatiestructuur ervan onder enorme druk stond, overwoog de leiding van Al-Qaida de verminderde invloed nooit als rechtvaardiging om de organisatie om te vormen tot een gedecentraliseerde beweging. Hierdoor zou het in strijd zijn met zijn bestaansrecht. Als de zelfbenoemde voorhoede van de wereldwijde jihadistische revolutie beschouwt Al-Qaeda de strategische en ideologische begeleiding als essentieel voor de wereldwijde beweging. In de woorden van Zawahiri, moet al-Qaeda dienen als de "organisatie en leiderschap leidt verandering."

In plaats van zijn hiërarchie te ontmantelen in de nasleep van de Amerikaanse invasie in Afghanistan, hergroepeerde Al-Qaida's leiderschap. De beste weergave van hoe Al-Qaeda-leden aan Afghanistan zijn ontsnapt, is afkomstig van Adrian Levy en The Exile van Cathy Scott-Clark, een boek uit 2017 dat sterk put uit primaire bronnen, waaronder interviews met leden en medewerkers van Al-Qaeda. Levy en Scott-Clark ontdekten dat de meeste leden van Al-Qaeda naar een van deze drie locaties verhuisden: Iran, de tribale gebieden van West-Pakistan en steden in de Pakistaanse provincies Sindh en Punjab.

Een groep Al-Qaida-leden, waaronder veiligheidsleider Saif al-Adel, Abu Muhammed al-Masri (een sleutelfiguur bij de bomaanslagen op ambassade van 1998) en Abu Khayr al-Masri, vluchtte eerst naar Pakistan en maakte vervolgens zijn weg naar Iran via de provincie Quetta. Iran bood deze militanten een toevluchtsoord voor Amerikaanse troepen, maar hield ook nauwlettend toezicht op hun activiteiten. De relatie van de Iraanse regering met al-Qaeda-militanten zou in de loop van de tijd meerdere malen keren. Hoewel een volledige waarheid over de relatie tussen Iran en al-Qaeda nog moet worden vastgesteld, is het duidelijk dat al-Qaeda-aanhangers in Iran vaak effectief werden opgesloten. Zelfs onder deze gecontroleerde omstandigheden slaagden deze Al-Qaeda-agenten er echter in om frequente communicatie met hun strijders elders te onderhouden, creëerde het hulp om de beweging van strijders en fondsen tussen verschillende conflictgebieden te vergemakkelijken, en was zelfs betrokken bij het sturen van aanvallen. 

Een tweede groep van al-Qaeda-leden die Afghanistan ontvluchtten, vond een toevluchtsoord in de tribale gebieden van West-Pakistan, dat uiteindelijk de nieuwe wereldwijde commandohub van Al-Qaeda zou worden. Hassan Ghul, een al-Qaeda-facilitator die begin 2004 door de Verenigde Staten werd gearresteerd, vertelde Amerikaanse functionarissen dat Ayman al-Zawahiri, Abd al-Hadi al-Iraqi en meer dan 200 al-Qaeda-strijders en medewerkers zich in de Shakai-vallei in Zuid Waziristan hadden gevestigd . Deze regio was ook de thuisbasis van Nek Mohammed, een Pakistaanse militante en al-Qaeda-sympathisant die een grote irritatie van het Pakistaanse leger was geworden. De Pakistaanse militairen en Amerikaanse drones mikten op al-Qaida's veilige havens in de stammengebieden, waardoor zij Zawahiri en zijn groep uit de Shakai-vallei dwongen. Deze Al-Qaida-leden werden gedwongen meerdere keren te hervestigen, maar zelfs toen ze van locatie veranderden, bleven Zawahiri en andere senior-agenten coördineren met al-Qaeda-bevelhebbers buiten de tribale gebieden. Ze coördineerden bijvoorbeeld met Bin Laden, die zelf in safe houses in Pakistan was gedwongen voordat hij zich in 2005 in Abbottabad vestigde. Ze hadden ook toezicht op het al-Qaeda-netwerk in Afghanistan, Pakistan en het Midden-Oosten.

Een belangrijk knooppunt in dit transnationale netwerk was Khalid Sheikh Mohammed, van wie wordt aangenomen dat het na de aanslagen van 11 september 2001 het externe activiteitendossier van Al-Qaeda heeft overgenomen. Mohammed, voortbouwend op reeds bestaande relaties met Pakistaanse militante groepen en verwantschapsbanden met leden van zijn etnische Baluch-groep, ontwikkelde een robuust operationeel netwerk in Karachi en breidde zich uit naar steden in heel Pakistan. Bijna onmiddellijk na 9/11 mobiliseerde Mohammed de cellen onder zijn commando, die een reeks aanvallen over de hele wereld uitvoerde. Dit netwerk werd uiteindelijk geslecht, terwijl Pakistaanse en Amerikaanse agenten succesvol hun weg vonden middels de koeriers en bemiddelaars van Mohammed, voordat Mohammed uiteindelijk zelf in 2003 in de val werd gelokt.

Dat Al-Qaeda erin slaagde te overleven en vervolgens haar organisatie opnieuw op wist te bouwen na 9/11, weerspiegelt de kracht van de organisatie in hun aanpassingsvermogen. Zo werd snel erkend dat Amerikaanse en geallieerde troepen vaak medewerkers identificeerden die mobiele telefoons gebruikten. Veel leden van Al-Qaeda, inclusief Bin Laden, misten mobiele telefoons dus gebruikten ze koeriers, radio's en dergelijke. Khalid Shaikh Mohammed beveiligde zijn communicatie en beschermde zijn netwerk door voortdurend van simkaart te wisselen in zijn mobiele telefoon, wisselend tussen een groot aantal safe houses, zwaar leunend op koeriers en het gebruik van dode e-mails. Door deze aanpassingen vertraagde Al-Qaeda de verstoring van zijn netwerk. De aanpassingen hadden echter ook invloed op de informatiestroom binnen de organisatie, waardoor het moeilijker werd intern de strategie te coördineren. Dit onderstreept de spanning tussen veiligheid en efficiëntie waarmee jihadistische groepen worden geconfronteerd.

Een andere bijdrage aan de heropleving van Al-Qaeda was de manier waarop de groep territoriale veilige havens uitbuitte. De tribale gebieden van Pakistan boden een ideale locatie om de organisatie te herbouwen en gestructureerde besluitvormingsprocessen te herstellen. In de periode direct na 9/11 was het Pakistaanse leger terughoudend om tussenbeide te komen in de tribale gebieden en bleek het grotendeels ineffectief te zijn toen het daar militaire operaties uitvoerde. Het vermogen van de Verenigde Staten om inlichtingen te verzamelen en op te treden in de tribale gebieden was ook beperkt. Bovendien was een vanuit een deel van de lokale Pakistaanse bevolking een bepaalde sympathie naar de Arabisch sprekende buitenlanders die er bescherming gaven en bescherming zochten na de invasie van de Verenigde Staten in Afghanistan. In de tribale gebieden vond Al-Qaeda daarom een ​​toegeeflijke omgeving om te opereren.

Strategische fouten die de Verenigde Staten in de eerste jaren van de 'wereldwijde oorlog tegen het terrorisme' begingen, maakten het verder mogelijk voor al-Qaeda om zichzelf te herbouwen. De meest in het oog springende fout was het verplaatsen van bijna de volledige inzet van Pakistan en Afghanistan naar Irak. De negatieve gevolgen van de invasie in Irak vanuit het oogpunt van terrorismebestrijding zijn inmiddels wel duidelijk en hoeven hier niet nogmaals te worden herhaald. Toch is het noemenswaardig dat de Verenigde Staten tegen het eind van 2002, verscheidene maanden voor de invasie, terrorismebestrijdingsdiensten naar Irak begonnen te verplaatsen - net op het moment dat het de strijd met de Al-Qaeda-strijders in Afghanistan en Pakistan aan het winnen was. Deze beslissing om middelen weg te leiden van Afghanistan en Irak vertraagde de jacht op al-Qaeda-bevelhebbers die nu nog steeds op de vlucht zijn, aldus de gepensioneerde generaal Wayne Downing.

De organisatiestructuur waaraan Al-Qaeda zich hield, was een laatste factor die bijdroeg aan het herstel ervan. Ambtenaren van de Verenigde Staten hebben de strategische impact van de dood of de gevangenneming van leiders van Al-Qaeda voortdurend overschat. Na de vangst van Khalid Sheikh Mohammed ( KSM ), bijvoorbeeld, verklaarde Porter Goss, toenmalig voorzitter van de House Permanent Select Committee on Intelligence, dat "het tij is gekeerd in termen van al-Qaeda." Het is waar dat de gevangenname van Mohammed de externe operaties van al-Qaeda vertraagde, gezien zijn verantwoordelijkheid over het coördineren en ondersteunen van aanvallen over de hele wereld. Maar de Amerikaanse regering heeft consequent de impact overschat die het verlies van een enkele leider, ongeacht hoe senior ze waren, zou hebben op de organisatorische capaciteit van Al-Qaeda. Al-Qaida had een kader van bekwame commandanten in Afghanistan in het leven geroepen, van wie velen slagveld-ervaring opdeden tegen de Noordelijke Alliantie. Al-Qaida's "deep bank" stelde de groep in staat commandanten te vervangen die van het slagveld waren gebracht zonder veel gespecialiseerde kennis op te offeren of die grote verstoringen van zijn activiteiten ondervonden.

Al-Qaeda's externe leiders na KSM;

Abu Hamza Rabia 96

2003-2005

Abu Ubaydah al-Masri 97

2005-2007

Saleh al-Somali 98

2007-2009

Veel analisten hebben de structurele veerkracht van Al-Qaeda verkeerd ingeschat en hebben betoogd dat de verliezen van de organisatie na 9/11 de ineenstorting van de organisatie aankondigden. Journalist Jason Burke verwoordde een extreme versie van deze theorie, bewerend dat Al-Qaeda als een organisatie "gedurende een korte periode, tussen 1996 en 2001" had bestaan, en zijn ondergang in de bergen van Tora Bora eind 2001 ontmoette. Al-Qaida was vervangen door "een brede en diverse beweging van radicale islamitische strijdbaarheid", volgens Burke. 

Hoewel extremer dan de hedendaagse opvattingen over Al-Qaida, heeft Burke's argument betrekking op een andere theorie over Al-Qaeda die enig draagvlak onder analisten behoudt. Deze theorie stelt dat al-Qaeda was geëvolueerd van een hiërarchische organisatie naar een netwerkende sociale beweging. Volgens deze theorie handhaafden de leiders van al-Qaeda niet langer de formele organisatiestructuur na de Amerikaanse invasie in Afghanistan. In plaats daarvan dienden Bin Laden en anderen als spirituele en ideologische gidsen voor een bonte verzameling van militante groepen, kleine cellen en geradicaliseerde individuen, die allemaal vasthielden aan een salafistisch-jihadistisch wereldbeeld maar hun eigen parochiale belangen behielden.

Er waren belangrijke knelpunten voor deze sociale netwerk theorie voor de jihadistische strategie. Gedecentraliseerde bewegingen, vooral die welke transnationaal zijn, beschikken niet over de organisatiestructuur, communicatiemogelijkheden en interne discipline die nodig zijn om een ​​gemeenschappelijke strategie te coördineren en na te streven. Aanhangers van dergelijke bewegingen delen een gemeenschappelijk wereldbeeld, maar zowel hun doelen als hun manieren om die doelen na te streven, verschillen en kunnen zelfs met elkaar in conflict zijn. Kort gezegd, een implicatie van dit argument was dat naarmate de organisatiestructuur van Al-Qaida verdorde, de jihadistische beweging niet langer een actor zou hebben die de activiteiten van soortgelijke groepen en cellen kon coördineren.

Deze theorie van al-Qaeda als een sociale beweging werd gespreksonderwerp nummer 1 binnen de analytische gemeenschap binnen een paar jaar na de aanslagen van 11 september. Een symposium in augustus 2003 met vijf specialisten van RAND Corporation en geproduceerd in samenwerking met FrontPage Magazine (een publicatie die toen minder schrijnend was dan in 2018), illustreert de prevalentie van deze opvatting. Toen de symposium-moderator panelleden vroeg hoe ze Al-Qaeda moesten definiëren, bood bijna iedereen een versie van de theorie van de sociale beweging. Voor William Rosenau was Al-Qaeda een 'wereldbeeld, geen organisatie'. John Parachini voerde aan dat Al-Qaeda sinds 9/11 'geëvolueerd is uit een losjes uitgelijnd netwerk van militante islamitische terroristen die de ervaring delen van het verdrijven van Sovjet-troepen uit Afghanistan tot een beweging met aanhangers over de hele wereld die een wereldwijd bereik mogelijk maken.' Zelfs Bruce Hoffman - die, zoals de auteurs van dit stuk in onze inleiding hebben genoemd, bekend staat om zijn argumenten tegen de leiderloze jihad-hypothese, zei: "Al Qaeda is meer een ideologie dan een leger: een transnationale beweging en een paraplu-achtige organisatie, geen monolithische entiteit . "Hoewel Rohan Gunaratna een vrij uitgebreid verslag had gemaakt van de organisatiestructuur van Al-Qaeda vóór 9/11, suggereerde hij in 2004 dat Al-Qaeda zijn doel had bereikt om een ​​jihadistische opstand te leiden en was getransformeerd in een beweging.

    De theorie van 'al-Qaeda als beweging' is gebrekkig, omdat deze berust op onvolledige en onjuiste informatie over de organisatie. De theorie is gebaseerd op de aanname dat Al-Qaeda niet betrokken was bij verschillende prominente terroristische aanslagen tussen 2001 en 2004, en dat deze aanvallen in plaats daarvan werden georkestreerd door lokale militante groepen die een gemeenschappelijke wereldvisie delen met Al-Qaeda, maar weinig anders. Deze aanvallen omvatten de bomaanslagen in Bali in 2002, de aanslagen in 2002 op een hotel en luchtvaartmaatschappij in Mombasa in Israël, meerdere aanvallen in Turkije in 2003, de bomaanslagen in Riyad in 2003 en de bomaanslagen in Madrid in 2004. De bewering dat Al-Qaeda niet betrokken was bij deze aanvallen lijkt minder geloofwaardig wanneer elke aanval wordt onderzocht:

  • Hambali, het brein achter de bomaanslag in 2002, gaf tijdens ondervragingen toe dat Al-Qaeda $ 30.000 ter beschikking stelde om de aanval te financieren en gaf hem daarna nog eens $ 100.000 om nieuwe operaties te ondersteunen. 
  • De zelfmoordterrorist die 19 mensen had gedood bij een aanval op de El Ghriba-synagoge in Djerba had regelmatig contact met Khalid Sheikh Mohammed en Christian Ganczarski, een Al-Qaeda-lid dat nauwe banden onderhoudt met Bin Laden, Saif al-Adel en Abu Hafs al- Masri. 
  • Het Oost-Afrikaanse netwerk van Al-Qaeda, geleid door Fazul Abdullah Mohammed en direct verantwoording aflegt aan Al-Qaida's leiding, heeft de aanslagen van Mombasa gepleegd. 
  • De strijders die in 2003 de bomaanslagen in Turkije hadden uitgevoerd hadden vóór 9/11 een ontmoeting gehad met Bin Laden. Abu Hafs al-Masri was in Afghanistan en heeft in die tijd een training in bom technieken gehad. Luayy Sakka, een veteraan al-Qaeda-lid dat ook nauwe banden onderhoudt met Abu Musab al-Zarqawi, financierde de operaties en huisvestte enkele van de strijders die na de aanslagen uit Turkije naar Syrië waren gevlucht. 
  • Een al-Qaeda-cel in Jemen, die vóór 9/11 actief was in het land en de USSCole-aanval had gepleegd , voerde in 2003 de bombardementen in Riyad uit. Die bomaanslagen zijn mogelijk bevolen door Saif al-Adel en andere al-Qaeda-bevelhebbers in Iran. 
  • Fernando Reinares, de belangrijkste wetenschapper van het jihadisme in Spanje, heeft de rol van al-Qaeda in het ondersteunen en goedkeuren van de aanslagen in Madrid uitgebreid beschreven in zijn boek Al-Qaeda's Revenge in 2014 . 

Hoewel de mate van Al-Qaida's belang verschilt van het ene plot tot het andere, hebben sommige van de bovengenoemde aanvallen duidelijk de creativiteit en expertise van Khalid Sheikh Mohammed weerspiegeld. Hoewel KSM behoorlijk aanzien genoot terwijl hij in Karachi was, bleef hij coördineren met en trachtte hij goedkeuring van Bin Laden te krijgen. Volgens The Exile reisde Bin Laden eind 2001 stiekem naar Karachi om Mohammed te ontmoeten. Tijdens deze bijeenkomsten bespraken Bin Laden en KSM de huidige en toekomstige operationele planning en ondertekende Bin Laden een plan om vliegtuigen te kapen en hen naar de luchthaven van Heathrow te brengen. Bin Laden zou ook een ontmoeting hebben gehad met Richard Reid en Saajid Badat in Karachi voordat ze vertrokken naar Europa, waar ze werden beschuldigd van het neerhalen van vliegtuigen door bommen in hun schoenen te laten ontploffen. Bin Laden's reis naar Karachi gaf aan dat de emir van Al-Qaeda een zekere mate van invloed had op externe operaties, zelfs terwijl de organisatie een strategische beslissing had genomen om haar communicatie aanzienlijk te beperken in een poging om ontdekking te voorkomen. (Het benadrukt ook zijn buitengewone bewegingsvrijheid in de bezette gebieden van Pakistan.)

In het beste geval zijn de uitgangspunten waarop de theorie is gebaseerd dat Al-Qaeda tot een beweging is getransformeerd, te simpel. Onlangs vrijgegeven gegevens uit Bin Laden's Abbottabad die hersteld zijn, schrappen deze hypothese. Al-Qaida speelde feitelijk een rol in de meeste grote jihadistische aanslagen die plaatsvonden tussen eind 2001 en 2005. De organisatie benutte haar financiële, logistieke en operationele netwerken om aanvallen op meerdere continenten mogelijk te maken en te leiden. Soms werd de betrokkenheid van Al-Qaida bij complotten echter pas maanden of zelfs jaren nadat de aanvallen plaatsvonden ontdekt.

Zelfs toen er nieuw bewijs naar voren kwam dat de theorie van 'al-Qaeda als beweging' tegensprak, bleef de theorie bloeien, wat de toekomstige analyse zou vertroebelen. Het idee dat de organisatiestructuur van Al-Qaida was ontmanteld, kwam sterk naar voren in het onderzoek naar de terroristische aanslagen van 7 juli 2005 op het openbaar vervoer van Londen. De Britse minister van Buitenlandse Zaken, Jack Straw, merkte op de dag van de aanslagen op dat de bomaanslagen "de kenmerken" van Al-Qaeda droegen. In een volgend New York Times-artikel over het onderzoek werd echter opgemerkt dat veel geïnterviewde inlichtingenambtenaren Al-Qaida omschreven als een "slecht strompelde, nauwelijks functionerende organisatie." Een hoge vertegenwoordiger van het terrorismebestrijding zei: "Al Qaeda is klaar, maar er is Al-Qaedaïsme, een krachtige ideologie die lokale groepen drijft om te doen wat zij denken dat Osama bin Laden wil." Sommige inlichtingendiensten beschouwen Abu Musab al-Suri's oproep tot Global Islamic Resistance als de nieuwe blauwdruk voor de jihadistische beweging. Dit was de verhandeling over 1600 pagina's waarin Suri zijn theorie van de leiderloze jihad formuleerde, die, zoals eerder uitgelegd, al-Qaeda expliciet verwierp.

Hoewel inlichtingendiensten in eerste instantie sceptisch waren dat Al-Qaeda over de organisatorische capaciteit beschikte om de 7/7 aanvallen uit te voeren, toonden latere aanwijzingen aan dat de groep een centrale rol speelde in de plot. Mohammed Siddique Khan en Shehzad Tanweer, de leiders van de 7/7 cel, waren naar Pakistan gereisd. Daar ontmoetten ze senior Al-Qaeda-lid Abu Ubaydah al-Masri, die de twee mannen ervan overtuigde om een ​​aanval in Engeland uit te voeren. Rashid Rauf, een Britse al-Qaeda-agent, nam vervolgens de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de logistieke en operationele aspecten van het complot, bleef in contact met Tanweer en Khan nadat ze naar het Verenigd Koninkrijk waren teruggekeerd en coachte de mannen tijdens de bouw van hun explosieven. Op de éénjarige verjaardag van de bomaanslagen plaatste Al Jazeera een video van Al-Qaeda met beelden van de aanvallers voordat ze toesloegen. Ayman al-Zawahiri verscheen op de band en legde uit dat Khan en Tanweer een al-Qaeda-kamp hadden bezocht "op zoek naar het martelaarschap." De onthullingen in deze band vergeleken met de conclusies van het onderzoek van ambtenaren naar de 7/7 aanvallen, Bob Ayers, een beveiligingsexpert bij de Chatham House denktank in Londen: "Het zorgt ervoor dat de politie er slecht opstaat. Het betekent dat het onderzoek fout was, of ze identificeerden verbanden, maar waren terughoudend om ze te onthullen. " 

Een wereldwijde organisatie

Ondanks het bewijs dat de 7/7 aanvallen aan Al-Qaeda verbond, bleef de theorie dat al-Qaeda organisatorisch gefragmenteerd bleef populair. Sterker nog, de theorie kreeg nieuw leven toen al-Qaeda aan zijn volgende fase van organisatieontwikkeling begon.

In de woorden van Bin Laden presenteerde de oorlog in Irak de organisatie een "gouden en unieke kans", vooral in een tijd waarin het leiderschap van Al-Qaeda onder enorme druk stond in Pakistan en Afghanistan. Toen de opstand in een stroomversnelling kwam, erkende Al-Qaeda een kans om te profiteren van de wijdverspreide ontevredenheid onder de bevolking, de Amerikaanse troepen in Irak aan te vallen en een nieuwe generatie jihadisten te mobiliseren. Al-Qaeda's besluit om de relatie met de organisatie van Abu Musab al-Zarqawi in 2004 te formaliseren, was dus zowel opportunistisch als voorzichtig. De relatie tussen Zarqawi en al-Qaeda dateerde aan het eind van de jaren negentig, toen al-Qaeda Zarqawi's trainingskamp in Herat financierde en sterker was geworden nadat Zarqawi en zijn mannen naast al-Qaeda-leden vochten in de slag bij Tora Bora. Senior leiders van Al-Qaeda hadden altijd bedenkingen bij Zarqawi. Ze hadden bedenkingen bij zijn achtergrond als straatmisdadiger, evenals zijn gebrek aan formele opleiding, en Bin Laden vond Zarqawi's onstuimige en brutale aard onaangenaam. Uiteindelijk maakten deze zorgen plaats voor de strategische positie die Zarqawi in Irak had bereikt, omdat de senior leiders van al-Qaeda ervoor kozen om te profiteren van het robuuste netwerk dat Zarqawi had gebouwd. Zarqawi's groep werd bekend als Al-Qaeda in Irak ( AQI ).

Al-Qaida's senior leiders kwamen echter al snel in opspraak tegen Zarqawi. Zarqawi's neiging tot extreem geweld, zijn terughoudendheid om samen te werken met andere militante groepen in Irak, en zijn slachtpartijen van de Iraakse sjiieten waren allemaal tegenstrijdig met de door Al-Qaida geprefereerde methodologie voor de Irak-jihad. Uit angst dat Al-Qaeda's reputatie in de moslimwereld zou worden aangetast door de acties van AQI, stuurden de leiders van al-Qaeda Central minstens twee brieven naar Zarqawi om hem te adviseren zijn aanpak te matigen. In de eerste brief drong Ayman al-Zawahiri er bij Zarqawi op aan om publieke steun op te bouwen en te voorkomen dat de spanningen met de Shia zouden toenemen. Zawahiri was geen pacifist - hij adviseerde Zarqawi om gevangenen neer te schieten in plaats van hen te onthoofden, maar hij vreesde dat Zarqawi's neiging tot brutaliteit de bevolking zou vervreemden. Zawahiri verklaarde, "het sterkste wapen dat de moedjahedien genieten ... is populaire steun van de moslimmassa's." Jihadisten moeten daarom "elke actie vermijden die de massa niet begrijpt of goedkeurt." Later dat jaar schreef senior al-Qaida officiële Atiyah Abd al-Rahman een hardere brief aan Zarqawi die het advies van Zawahiri weergaf. Atiyah vertelde Zarqawi dat het militaire beleid ondergeschikt was aan politieke doelstellingen, en spoorde de in Jordanië geboren leider aan zijn gewelddadige neigingen in toom te houden omdat hij anders de publieke sympathie voor al-Qaeda uit zou roeien. Hij raadde Zarqawi aan om de "fouten en tekortkomingen" van de bevolking over het hoofd te zien en "een groot deel van de schade van hen te tolereren omwille van het feit dat ze zich niet afkeerden en vijanden werden op welk niveau dan ook." Ook bekritiseerde hij Zarqawi omdat hij faalde om overleg te plegen met het leiderschap van Al-Qaeda voordat er wordt gehandeld over "allesomvattende problemen".

De interacties tussen Al-Qaeda Central, Abu Musab al-Zarqawi en AQI illustreren zowel de kansen voor de organisatie als de uitdagingen waarmee al-Qaeda toen te maken kreeg en die zij nog steeds onder ogen ziet, omdat zij haar geografische bereik blijft uitbreiden en haar relatie met geallieerde jihadisten formaliseert creëert het facties over de hele wereld. Aan de ene kant maakte de strategie van het ontwikkelen van allianties het voor al-Qaeda mogelijk om zijn invloed op nieuwe podia te projecteren, te demonstreren (of in sommige gevallen simpelweg de perceptie te creëren) en breidt het de poel van middelen uit waaruit de organisatie zou kunnen putten. Het hielp Al Qaida ook dichter bij zijn fundamentele doel om de voorhoede-organisatie te worden. Al-Qaida kan strategische en ideologische begeleiding bieden aan organisaties onder zijn paraplu, waardoor het meer invloed en controle heeft over het traject van de jihadistische beweging. Aan de andere kant bemoeilijkte deze strategie de inspanningen van al-Qaeda om de samenhang van de organisatie en de strategische eenheid te behouden.

Een uitdaging waarmee Al-Qaeda te maken kreeg, was bijvoorbeeld het vermogen om communicatielijnen op te zetten en te onderhouden met een steeds groeiend aantal gelieerde ondernemingen. Hoewel de organisatie koeriers inschakelde om te communiceren in Afghanistan en Pakistan, is de koeriersstrategie risicovoller en minder betrouwbaar gebleken bij het communiceren met partners in Irak en andere landen die verder weg zijn van het hogere leiderschap. Koeriers met als taak om brieven tussen de leiding van Al-Qaeda en zijn gelieerde ondernemingen over te nemen, werden soms gearresteerd en de inhoud van hun communicatie werd hiermee publiekelijk. In sommige gevallen verhinderden veiligheidsmaatregelen feitelijk dat al-Qaeda afgezanten stuurde (die, in tegenstelling tot koeriers, formele vertegenwoordigers waren) om gelieerde partijen te ontmoeten. 

De uitdagingen in verband met het vaststellen van betrouwbare communicatielijnen vergrootten de waarschijnlijkheid dat de gelieerde ondernemingen van Al-Qaeda zouden afwijken van de strategische koers die door Al-Qaeda Central werd geschetst. Gelieerde partijen zouden in bepaalde omstandigheden ook niet op de hoogte kunnen zijn van dictaten die zijn uitgegeven door Al-Qaeda Central en dus maatregelen kunnen nemen die onbedoeld de belangen van de organisatie ondermijnen zoals bepaald door hogere leiders. Dergelijke communicatiebelemmeringen kunnen eveneens het vermogen van al-Qaeda Central om leden effectief te adviseren over hoe te reageren op gebeurtenissen terwijl ze zich ontwikkelen, verhinderen. Dit kan dan leiden tot gemiste kansen en strategische verwarring. Gelieerde partijen die het niet eens waren met, en graag een strategisch advies van al-Qaeda Central negeerden, hadden de communicatieproblemen als een ideaal excuus.

Geografische expansie verhoogde de mogelijkheid dat gelieerde partijen belangen hadden die aanzienlijk verschilden van die van al-Qaeda Central. Lokale culturele, sociale en politieke dynamiek heeft een diepgaand effect op de strategie, tactieken en zorgen van gelieerde ondernemingen. Partners kunnen geneigd zijn om hun lokale belangen te prioriteren op de wereldwijde agenda van al-Qaeda Central. Deze overwegingen kunnen ook het gevolg zijn van regionale commandanten die zichzelf beginnen te beschouwen als autonoom van - of zelfs superieur ten opzichte van - de kernorganisatie. Al-Qaeda Central kan haar macht gebruiken, zoals het achterhouden van fondsen en andere middelen, om te voorkomen dat gelieerde partijen zich gaan misdragen, maar een dergelijke dwangkracht wordt sterk verminderd wanneer filialen alternatieve financieringsbronnen aanboren. 

De potentiële impact van de verschillen van het imago van Al-Qaeda en de langetermijnvooruitzichten neemt ook toe naarmate de organisatie zich geografisch uitbreidt. Sommige filialen hebben controle over hun eigen mediakanalen, wat het vermogen van al-Qaeda Central om een ​​gemeenschappelijk boodschap over alle openbare communicatielijnen te ondersteunen, effectief kan beperken. Als gelieerde partijen ervoor kiezen om zich niet aan de agenda van Al-Qaeda te houden, of onbewust gedrag vertonen dat het ondermijnt, kunnen de gevolgen voor Al-Qaeda Central aanzienlijk zijn. Daarom beweert een of andere wetenschap - ten onrechte, naar de mening van de auteurs van dit artikel- dat de uitbreiding van al-Qaeda, zowel voor als na de Arabische lente, moet worden gezien als een weerspiegeling van de zwakheid van de organisatie, eerder dan van haar kracht.

Deze sceptische kijk op de expansie van Al-Qaeda was vrij normaal in de tijd. In 2004 werd al-Qaeda op brede schaal beschouwd als diep gefragmenteerd en gedecentraliseerd. Het besluit om een ​​formele alliantie aan te gaan met Zarqawi's groep in Irak werd door veel waarnemers geïnterpreteerd als een laatste inspanning om Al-Qaida relevant te houden in de ogen van zijn volgelingen. Tijdens de periode van kracht van AQI geloofden veel waarnemers dat Zarqawi Bin Laden had overschaduwd. Een analist beweerde zelfs dat de basis van al-Qaida was verschoven van Afghanistan naar Irak. 

Maar de argumenten dat Al Qaida's beslissing om bondgenoot te zijn met Zarqawi een teken van zwakte was, houden geen rekening met de grote verscheidenheid aan factoren die een indicatie kunnen zijn voor de organisatorische kracht ervan. Een machtige, Irakese militante groep vond het bijvoorbeeld in hun voordeel om het merk Al-Qaida naar Irak te brengen. Hoewel de associatie van Al-Qaeda met AQI uiteindelijk zijn merk heeft beschadigd, wat waren dan de tussentijdse voordelen voor al-Qaeda? Wat waren de onmiddellijke financiële gevolgen van deze beslissing?

Veel analisten interpreteerden ook het besluit van Al-Qaeda Central om haar relatie met al-Qaeda in de Islamitische Maghreb in 2007 en met Al-Qaeda op het Arabisch Schiereiland in 2009 op een vergelijkbare manier te formaliseren. De dood van Bin Laden in mei 2011 versterkte de mening van veel waarnemers dat al-Qaeda Central weinig tot geen zeggenschap had over haar gelieerde ondernemingen. Een artikel in de New York Times van augustus 2011 getiteld "Al Qaeda Affiliates Growing Independent" verwoordde de conventionele wijsheid in dat opzicht. Terrorisme experts, zowel binnen als buiten de regering, zo meldde het artikel, waren al-Qaeda Central gaan beschouwen als meer en meer gemarginaliseerd, terwijl de filialen "steeds groter" werden. Brian Fishman, destijds bij de New America Foundation, zei: "het is steeds waarschijnlijker dat de aan Al Qaeda-gelieerde groepen gewoon hun eigen ding gaan doen," en voegde eraan toe: "op een gegeven moment kunnen de jongens in Pakistan worden teruggebracht en laten we hopen op het beste. " Geleerde Barak Mendelsohn schreef: 'in plaats van een demonstratie van de dapperheid van al-Qaeda, zoals sommige geleerden het zien,' was de uitbreiding van de organisatie 'in feite een teken van grote moeilijkheden'. Door expansie, zo vervolgde hij, "is al-Qaeda" aanzienlijk verzwakt. " 

Maar het principe van 'centralisatie van besluitvorming en decentralisatie van uitvoering' bleek goed te passen in de strategie van de organisatie om relaties aan te gaan. De belangrijkste verantwoordelijkheden van al-Qaida's leiderschap, volgens dit model, zijn om strategische begeleiding aan gelieerde ondernemingen te bieden en hen te adviseren over belangrijke personeels- en operationele beslissingen, inclusief de benoeming van lokale leiders. De aangeslotenen moeten vervolgens het strategische plan van Al-Qaeda in werking stellen. Daarbij krijgen de aangesloten ondernemingen aanzienlijke zeggenschap met slechts beperkt toezicht. Deze managementstructuur, die sterk overeenkomt met de relatie van al-Qaeda-leiders met celleiders die zijn belast met het uitvoeren van specifieke aanvallen, heeft de groep in staat gesteld het commando en de controle over de groeiende organisatie te behouden. De rol van de leiding bij het bepalen van de militaire, politieke en propagandastrategie van de organisatie maakt het mogelijk om het gedrag van aangeslotenen vorm te geven, voorkeursverschillen te beperken en het soort strategische incoherentie te vermijden dat Al-Qaida's wereldwijde imago zou kunnen aantasten. Al-Qaeda Central's betrokkenheid bij het selecteren of op zijn minst goedkeuren van de benoeming van de emirs van zijn dochterondernemingen vermindert op vergelijkbare wijze de kans dat commandanten opzettelijk afwijken van Al-Qaida's strategische begeleiding.

Ondertussen zorgde de gedecentraliseerde aanpak van Al-Qaeda de organisatie om effectiever om te gaan met communicatiemoeilijkheden tussen het leiderschap en zijn gelieerde ondernemingen. Aangezien de rol van al-Qaeda Central beperkt is tot het geven van advies aan gelieerde ondernemingen over strategie en belangrijke personeels- en operationele problemen, is de hoeveelheid communicatie die nodig is tussen het leiderschap en gelieerde ondernemingen redelijk beperkt. Het lijkt er echter op dat al-Qaida in staat kan zijn om, indien nodig, dagelijks met zijn gelieerde ondernemingen te communiceren. Bovendien, omdat al-Qaeda zijn filialen heeft gemachtigd om strategische plannen aan te passen aan de lokale context, blijft de organisatie als geheel flexibel. Dit "gelokaliseerde" model - een mondiale strategie en vooruitzichten geïntegreerd in een lokale omgeving - heeft ook als extra buffer tegen preferentiële verschillen gediend.

Al-Qaeda Central heeft in veel opzichten zijn dochterondernemingen effectief beheerd. Maar sommige gelieerde ondernemingen hebben acties uitgevoerd die in strijd zijn met de doelstellingen van Al-Qaeda en het algemene merk van de groep. In het midden van de jaren 2000 illustreerden AQI's brutale geweld en sektarische neigingen hoe schadelijk zo'n afwijking voor de organisatie kan zijn. Al-Qaeda Core probeerde de organisatie te "rebranden" na het falen van AQI. Extreme andere keuzes kwamen opnieuw naar voren onder ISIS , wat uiteindelijk leidde tot een volledige breuk tussen al-Qaeda en ISIS .

In plaats van het verklaren van bekende gevallen waarin voorkeursverschillen tussen al-Qaeda en zijn gelieerde ondernemingen openlijk conflicten veroorzaakten, is het de moeite waard te vragen waarom dit niet vaker voorkomt. Al-Qaeda's interne documenten, waaronder de schat aan informatie die is verkregen uit de Abbottabad-compound van Bin Laden, bevatten het sterkste bewijs van hoe Al-Qaeda de relatieve samenhang van de organisatie met zijn dochterondernemingen handhaafde. Een kleine subset van de Abbottabad-documenten - 17 documenten die in 2012 werden vrijgegeven - werd in eerste instantie gebruikt om de theorie te bevorderen dat Al-Qaeda's senior leiderschap geen contact met haar had en de controle over haar gelieerde ondernemingen had verloren. Deze vroege theorie bleek misleidend te zijn. In die tijd betoogde Bruce Hoffman dat openbare uitspraken van personen die niet de mogelijkheid hadden om de volledige verzameling Abbottabad-documenten te bekijken veel voorzichtiger hadden moeten zijn, vooral omdat hun beoordelingen haaks stonden op de eerste conclusies van inlichtingenfunctionarissen. Inderdaad, de vroege uitspraken van inlichtingenfunctionarissen die de documenten nakeken, die al in druk verschenen voordat de theorie naar voren kwam dat de documenten aantoonden dat al-Qaeda Core het contact had verloren, waren van mening dat Bin Laden zeer betrokken en misschien zelfs een "micro-manager" was.

    Deze onduidelijkheden werden opgelost toen nieuwe delen van documenten werden vrijgegeven - in 2015, 2016 en 2017. De nieuwe documenten illustreerden Bin Laden en andere belangrijke al-Qaeda-leiders in de uitgebreide betrokkenheid bij - en soms micro-management van - strategische en operationele partners. Ook werd duidelijk dat de commandostructuur van Al-Qaida nog steeds intact was, ondanks het verlies van leiderschap van de groep vóór 2011, en dat gelieerde en operationele commandanten in het algemeen de richtlijnen en adviezen van Bin Laden als bindend beschouwden. De inzichten die de Abbottabad-documenten hebben verstrekt, omvatten de volgende onthullingen:

Rond mei 2010 beval Bin Laden een vooraanstaande al-Qaeda-bevelhebber om afdelingen voor externe operaties in heel Afrika op te zetten, zodat Al-Qaida zich kon richten op westerse en Amerikaanse belangen over het hele continent. Abdelmalek Droukdel werd belast met het leiden van externe operaties in Noord-Afrika, terwijl Shabaab de verantwoordelijkheid kreeg voor de Hoorn van Afrika, en Yunis al-Mauritani kreeg de controle over de rest van Afrika. In de jaren na de richtlijn van Bin Laden voerden al-Qaeda-partners in Afrika een aantal spectaculaire aanvallen uit tegen westerse doelwitten, waaronder het bloedbad in Westgate Mall in Nairobi en de belegering van de gasfaciliteit In Amenas in het zuiden van Algerije.

Bin Laden was direct verantwoordelijk voor het bepalen van het beleid van al-Qaida ten opzichte van de regering, inclusief hun wapenstilstandsonderhandelingen met het Inter-Services Intelligence Agency van Pakistan, evenals afzonderlijke gesprekken met de broer van Nawaz Sharif in zijn hoedanigheid van gouverneur van Punjab. Bin Laden instrueerde ook filialen om zich te onthouden van het richten van staten waarmee Al-Qaeda zich niet bezighield met actieve conflicten. In een brief aan Abu Ayyub al-Masri, de minister van AQI van oktober 2007, riep Bin Laden op tot AQI om aanvallen in Turkije te voorkomen, "tenzij er kans is op een grote operatie tegen de Joden of de Kruisvaarders." Hij adviseerde Masri ook om het Iraanse regime niet te bedreigen, aangezien Iran diende als een 'hoofdsponsor voor fondsen, personeel en communicatie' voor Al-Qaida. In verschillende andere brieven die rond 2010 werden geschreven, bespraken het senior leiderschap en de aangesloten leden van Al-Qaeda de verdiensten en religieuze legitimiteit van een wapenstilstand, die uiteindelijk werd goedgekeurd, tussen al-Qaeda in de Islamitische Maghreb ( AQIM ) en de Mauritaanse regering. Zowel AQIM als AQI lijken de leiding van Bin Laden te hebben gevolgd. Abu Muhammad al-Adnani, een voormalig AQI- lid dat de belangrijkste woordvoerder van ISIS werd, zei in een verklaring van mei 2014 dat AQI had voldaan aan het verzoek van Bin Laden om Iran niet te targeten, voordat die organisatie zich uit Al-Qaida splitste. Evenzo zag AQIM af van het aanvallen van Mauritanië gedurende verschillende jaren na interne beraadslagingen over het bestand.

Het senior leiderschap van Al Qaeda neemt deel aan een uitgebreid proces van interne beraadslaging voordat beslissingen worden genomen, en raadpleegt soms leiders van gelieerde ondernemingen over zaken van andere gelieerde partijen. Een brief van Shabaab uit 2010 van Ahmed Abdi Godane legde uit dat Atiyah Abd al-Rahman en Abu Yahya al-Libi, twee vooraanstaande al-Qaeda-functionarissen in Afghanistan / Pakistan, "de taak" hadden gekregen (vermoedelijk door Bin Laden of Zawahiri) om een verslag uitbrengen over de toekomstige Mauritaanse wapenstilstand vanuit een islamitisch juridisch perspectief. Het rapport moest worden voorgelegd aan Al-Qaeda's leiding, dat de zaak verder zou bespreken en zijn beslissing aan Abdelmalek Droukdel zou overbrengen. In de brief woog Godane ook op de toekomstige wapenstilstand, wat erop wees dat de leiders van al-Qaeda's gelieerde partijen geraadpleegd werden over belangrijke strategische kwesties, zelfs als deze kwesties geen directe invloed op hen hadden. Aangezien documenten met betrekking tot Al-Qaeda Core's het recente geschil met de Syrische gelieerde onderneming Hayat Tahrir al-Sham duidelijk maken, wordt deze praktijk tot de dag van vandaag voortgezet.

Bin Laden hield zich bezig met tactische en operationele beslissingen. Daarom beschreef iemand in de inlichtingengemeenschap hem als een micromanager. Eind 2010 schreef Bin Laden bijvoorbeeld twee brieven aan Atiyah die zijn ondergeschikten instrueerde om al-Qaeda-arbeiders uit Noord- en Zuid-Waziristan te verplaatsen (twee tribale agentschappen die onder voortdurende bewaking stonden van Amerikaanse drones) naar veiligere locaties in o.a. Pakistan.

Bin Laden was nauw betrokken bij personeelsbeslissingen, inclusief het beoordelen van opkomende leiders. Een veelzeggende uitwisseling betrof Anwar al-Awlaki, de prominente in Amerika geboren geestelijke die zich eind 2000 bij AQAP had aangesloten . Terwijl Awlaki's ster opkwam, stelde AQAP-emir Nasir al-Wuhayshi voor dat hij opzij zou gaan en Awlaki zou toestaan ​​de leiding van AQAP over te nemen. Wuhayshi voerde aan dat Al-Qaeda hierdoor in staat zou zijn om te profiteren van de populariteit van Awlaki. Bin Laden reageerde in een brief van augustus 2010 aan Atiyah, waarin hij hem opdroeg Wuhayshi te vertellen AQAP's leider te blijven. Bin Laden vroeg ook dat Wuhayshi Bin Laden zou voorzien van het CV van Awlaki, evenals specifieke redenen waarom Wuhayshi Awlaki aanbeval. Deze brief weerspiegelde de voorzichtige benadering van Bin Laden van de selectie van Al-Qaeda-leiders, evenals zijn behoedzaamheid van Awlaki.

Hoewel Bin Laden en andere al-Qaeda-leiders uit Pakistan problemen ondervonden bij het communiceren met partners en strijders in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, ontwikkelden ze een manier om deze problemen te overwinnen. Atiyah diende bijvoorbeeld als intermediair tussen Bin Laden en al-Qaida's gelieerde ondernemingen in Jemen, Somalië en Noord-Afrika. Het besluit om een zekere mate van afstand te creëren tussen Bin Laden en de gelieerde ondernemingen van Al-Qaeda was waarschijnlijk bedoeld om de kans te verkleinen dat de communicatie van Bin Laden zou worden onderschept en zijn locatie zou worden onthuld. In een brief legde Bin Laden uit dat de twee koeriers die hij gebruikte om verklaringen af te leggen aan de media slechts bereid waren om elke drie maanden boodschappen te brengen, en hij vroeg een ondergeschikte om andere manieren te vinden om zijn uitspraken bekend te maken. De Abbottabad-documenten, evenals andere primaire bronmaterialen, bieden extra inzicht in de relatie tussen AQI en het senior leiderschap van Al-Qaeda. AQI's insubordinatie op het hoogtepunt van de oorlog in Irak, die berispingen uit Zawahiri en Atiyah veroorzaakte, wordt al lang genoemd als bewijs dat Al-Qaeda Central weinig of geen controle over haar gelieerde ondernemingen had. Sommigen hebben zelfs betoogd dat zelfs na de dood van Zarqawi en vóór de opkomst van Abu Bakr al-Baghdadi, Al-Qaeda Central zijn Iraakse gelieerde onderneming niet kon beteugelen. Verder hebben sommige waarnemers betoogd dat Al-Qaeda's Iraakse gelieerde onderneming de oprichting van een islamitische staat in Irak in oktober 2006 heeft uitgeroepen zonder Bin Laden, Zawahiri of andere leiders van Al-Qaeda te raadplegen. De documenten van Abbottabad suggereren echter dat de coördinatie tussen Al-Qaeda Central en AQI na de dood van Zarqawi en vóór Bin Laden's robuuster was dan eerder werd aangenomen. Zoals eerder opgemerkt, zei Abu Muhammad al-Adnani in een verklaring van 2014 dat het Iraakse filiaal uiteindelijk had voldaan aan het mandaat van Bin Laden in 2007 om Iran niet langer aan te vallen of te bedreigen (Hoewel het idee van Compliance van ISIS kan verschillen van dat van ons, laat Adnani's verklaring tenminste zien dat de richtlijnen van al-Qaeda in staat waren om zijn acties te beïnvloeden terwijl het een gelieerde onderneming bleef). In een andere brief uit 2007, instrueerde Bin Laden Zawahiri om "dubbele belangen te voorkomen" betreffende de banden van Al-Qaeda met de Islamitische Staat van Irak ( ISI) - de naam waarmee al-Qaeda in Irak toen bekend was - en ter verdediging van ISI in zijn toekomstige publieke verklaringen. Een brief van Bin Laden aan een onbekende ontvanger, geschreven ergens na april 2010, onthult het meest over de continuïteit in de al-Qaeda- ISI- relatie. In de brief becommentarieerde Bin Laden berichten over de dood van de emir en de oorlogsminister van ISI en besprak het opvolgingsplan van Al-Qaeda voor zijn dochteronderneming, waarbij ISI een "tijdelijk bestuur" zou instellen om de zaken van de organisatie te beheren, terwijl ISI en al Qaeda Central werkte om een ​​nieuwe emir aan te stellen.

Deze onthullingen uit de Abbottabad-documenten benadrukken de behoefte aan een meer genuanceerde beoordeling van de historische relatie tussen al-Qaeda Central en zijn Iraakse gelieerde onderneming. Het lijdt geen twijfel dat de leiding van Al-Qaida hardnekkige problemen heeft ondervonden om AQI / ISI ervan te weerhouden te werken aan zijn meer destructieve impulsen. Evenzo ondervond Al-Qaida's leiderschap problemen met de communicatie met zijn Iraakse partner, wat waarschijnlijk van invloed was op het vermogen om de gebeurtenissen in Irak vorm te geven. Op hetzelfde moment voldeed AQI echter nog steeds aan een aantal belangrijke instructies van al-Qaeda Central, en Bin Laden behield het vermogen om de leiders van de groep te benoemen. Pas eind 2013, toen Abu Bakr al-Baghdadi openlijk de leiding van Ayman al-Zawahiri met betrekking tot de uitbreiding van de organisatie naar Syrië trotseerde, escaleerde de relatie tussen al-Qaeda Central en zijn Iraakse partner volledig.De Abbottabad-documenten verduidelijken ook de details van een andere relatie: de relatie van al-Qaeda Central met Shabaab voorafgaand aan de aankondiging van februari 2012 van aansluiting bij Al-Qaeda. In het rapport van het Combating Terrorism Center, Letters from Abbottabad , werd geconcludeerd dat Bin Laden zich inzette voor het formaliseren van de relatie van Al-Qaida met Shabaab omdat hij Shabaabs 'slecht bestuur en onbuigzame administratie van Hudud' zag als een potentiële aansprakelijkheid voor het merk Al-Qaeda. Het rapport, dat zijn bevindingen baseerde op een brief van augustus 2010 van Bin Laden aan Godane, suggereerde ook dat Bin Laden mogelijk Shabaab aan het binden was om ervoor te zorgen dat Shabaab al-Qaeda bleef financieren, ook al al-Qaeda. was niet van plan om er een affiliate van te maken.Later vrijgegeven documenten tonen aan dat op het moment dat bin Laden de brief van Godane, Al-Qaeda Central al Shabaab's bayat had geaccepteerd , waardoor het een niet-bekend maar niettemin officieel-al-Qaeda-verband werd. Godane werd bijvoorbeeld geraadpleegd over de verdiensten van het Mauritaanse wetsvoorstel, een gevoelig onderwerp dat alleen zou worden gedeeld met officiële aangeslotenen. Evenzo besprak Bin Laden in een in 2010 geschreven brief aan Atiyah hoe Shabaab en AQIM konden werken om beloften van bayat te verkrijgen van andere partners in hun kringen die de jihadistische zaak steunden. Het feit dat Bin Laden Shabaab naast AQIM noemde, die in 2007 publiekelijk lid was geworden van Al-Qaeda, en Shabaab wilde adviseren over de uitbreiding van zijn netwerk, maakt duidelijk dat al-Qaeda de Somalische groep al als een bonafide partner beschouwde.Deze bevindingen verbergen de richtlijn van Bin Laden naar Shabaab om de banden met Al-Qaida in een ander daglicht te stellen. Bin Ladens inspanningen om de relatie Shabaab-al-Qaeda te maskeren waren waarschijnlijk bedoeld om Shabaab te helpen zijn netwerk te ontwikkelen zonder de aandacht van contraterroristische krachten te trekken of lokale bondgenoten af te schrikken. Bewijsmateriaal verzameld voorafgaand aan de Abbottabad-inval ondersteunt ook deze interpretatie. In augustus 2010 meldde the Long War Journal dat al-Qaeda-functionarissen Shabaab opdroegen "zich te blijven beperken tot Al Qaeda-links", en dat Al-Qaeda redeneerde dat openbare uitspraken die de link blootlegde tussen Al Qaewda en Shabaab "internationale aandacht" naar de Somalische groep zou trekken mede vanwege diens activiteiten. De woorden van Bin Laden in zijn brief aan Godane in 2010 zijn in overeenstemming met deze visie. Hij schreef dat zodra de relatie tussen al-Shabaab en al-Qaeda "in het openbaar wordt verklaard en openbaar wordt, de vijanden hun woede laten escaleren en zullen mobiliseren tegen hen" 

Al-Qaeda's inspanningen om de banden met Shabaab te maskeren, waren een voorwaarschuwing van de strategie die Al-Qaeda na de Arabische lente zou aannemen. De ineenstorting van autocratische regimes in Egypte, Tunesië en Libië bood al-Qaida een ongekende kans om zijn aanwezigheid uit te breiden naar landen die voorheen moeilijk te doorgronden waren. Al-Qaeda begreep ook dat het voorzichtig moest zijn bij het bouwen van zijn netwerken in Noord-Afrika. Elke publieke aankondiging van zijn activiteiten in de regio dreigde de aandacht te trekken van lokale en internationale veiligheidstroepen. Al-Qaida wilde niet het risico lopen dat zijn ontluikende leden van de organisatie werden verbannen voordat ze de massa zouden bereikten. Al-Qaeda koos daarom voor een heimelijke groeistrategie. De groep zou gezanten inzetten in landen die getroffen zijn door de Arabische Lente en daar filialen vestigen, maar er zou geen openbare aankondiging over deze nieuwe relaties worden gedaan. De geheime partners - waaronder Ansar al-Sharia in Tunesië, de Ansar al-Sharia-facties in de oostelijke Libische steden Benghazi en Derna en Jabhat al-Nusra in Syrië - kregen de opdracht om hun banden met al-Qaeda te verbergen.

Vandaag de dag is er een aanzienlijke hoeveelheid bewijs voor de verkorte groeistrategie van al-Qaeda in de periode na de Arabische Lente en de banden met gelieerde ondernemingen, die ooit allemaal geheim waren. In 2013 schreef Zawahiri een brief waarin Abu Muhammad al-Julani, de emir van Jabhat al-Nusra, werd belachelijk gemaakt omdat hij de banden van de Syrische organisatie met Al-Qaeda publiekelijk openbaarde zonder eerst toestemming te vragen aan Al-Qaeda Central. Ondertussen werden de banden van al-Qaeda met Ansar al-Sharia in Tunesië in 2013 steeds duidelijker. De Tunesische regering had documenten ontdekt welke vervolgens werden gepubliceerd in de Tunesische media, waaruit bleek dat Abu Iyadh al-Tunisi, de emir van Ansar al-Sharia, heimelijk trouw beloofde aan Abdelmalek Droukdel, de emir van AQIM. Bovendien gaf een rapport uit 2012 van de Federal Research Division van de Library of Congress een gedetailleerd overzicht van de uitgebreide activiteiten en het netwerk van Al-Qaeda in Libië, inclusief de banden met Ansar al-Sharia.In de periode onmiddellijk na de Arabische Lente waren de analisten het langzaam genoeg eens om de relatie tussen al-Qaeda Central en zijn geheime relaties te erkennen. Ansar al-Sharia-groepen in zowel Tunesië als Libië werden gelabelde gelokaliseerde jihadistische groepen genoemd die de ideologie van Al-Qaida deelden, maar onafhankelijk opereerden op basis van de bevelsstructuur van al-Qaeda. De kwestie van de banden tussen al-Qaeda en zijn geheime relaties in Libië werden sterk gepolitiseerd na de aanslag in 2012 op het Amerikaanse consulaat in Benghazi. Terwijl de inlichtingendiensten onmiddellijk concludeerde dat al-Qaeda betrokken was geweest bij de aanval. Dit terwijl woordvoerders van de regering-Obama in eerste instantie verklaarden dat de aanval plaatsvond toen spontane protesten escaleerden tot geweld. Talloze journalisten en analisten herhaalden vervolgens de lijn dat Ansar al-Sharia in Benghazi en Derna 'puur lokale extremistische organisaties' waren.

Waarom concludeerden sommige waarnemers in eerste instantie dat de Ansar al-Sharia-facties in Libië en Tunesië niet organisatorisch verbonden waren met Al-Qaeda? Ten minste drie factoren verklaren deze fout. Ten eerste was Al-Qaida grotendeels succesvol in het verbergen van zijn banden, althans in eerste instantie, met zijn geheime relaties. Zoals een van de auteurs van dit artikel indertijd opmerkte, waren terrorismeanalisten "aan het zoeken naar een speld in een hooiberg" toen ze probeerden de relatie tussen al-Qaeda en jihadistische groepen die in Libië, Tunesië en Syrië waren opgedoken te beoordelen. Met alleen onvolledige en dubbelzinnige informatie over de oorsprong en relaties van Ansar al-Sharia. Waarnemers namen hun toevlucht tot wat een standaardbeoordeling over de jihadistische beweging was geworden: dat Al-Qaeda Central weinig controle had over militante groepen die buiten Afghanistan en Pakistan opereren. Ten derde namen analisten een al te simplistische kijk op de wereldwijde strategie van al-Qaeda, waardoor ze niet begrepen hoe Ansar al-Sharia in Tunesië en andere geheime partners past in het groeimodel van de organisatie. Veel waarnemers beweerden dat al-Qaeda zich uitsluitend richtte op het aanvallen van de 'verre vijand' (dat wil zeggen , de Verenigde Staten en zijn bondgenoten in West-Europa), en was grotendeels niet geïnteresseerd in het uitvoeren van bestuursprojecten in het Midden-Oosten. Ansar al-Sharia in Tunesië had echter een lokaal gerichte strategie - die een van de auteurs analyseerde als een progressie van dawa naar hisba naar jihad in een van de vroegste volledige studies over de groep -dat leek niet in overeenstemming met de wereldwijde activiteiten en doelstellingen van al-Qaeda. President Obama verwoordde dit gevoel in een toespraak over terrorisme in mei 2013, waarin hij opmerkte dat de jihadistische beweging in de periode na de Arabische Lente bestond uit 'verzamelingen van lokale milities of extremisten die geïnteresseerd waren in het veroveren van grondgebied'. Deze beperkte visie op de strategie van Al-Qaeda blijft tot op de dag van vandaag bestaan. In een monografie van 2016 waarin al-Qaeda's afwijzing werd betoogd, betoogde de geleerde Jarret Brachman: "Al-Qaida's voornaamste gelieerde ondernemingen hebben zich naar binnen gekeerd en concentreren zich meer op het lokaal behalen van winsten, een beroep doen op de lokale bevolking en zichzelf consolideren door laagdrempelige criminaliteit dan zijn ze bezig de alomvattende mondiale agenda van al-Qaeda te bevorderen. " De Georgetown University-wetenschapper Daniel Byman heeft ook beweerd dat Al-Qaeda achteruit gaat omdat haar" aangesloten organisaties zich meer richten op hun lokale en regionale belangen dan op het aanvallen van het Westen. " Zulke beoordelingen definiëren de strategie van Al-Qaida in de periode na de Arabische lente te kortzichtig, en overzien aldus zowel de beweegredenen van de organisatie voor geweld tegen het Westen, als de mogelijke manieren waarop de Arabische lente deze dynamiek mogelijk heeft veranderd. Al-Qaida's strategie om de "verre vijand" aan te vallen, werd ingegeven door een strategische overtuiging dat Al-Qaeda alleen lokale regimes omver kon werpen en islamitische emiraten kon vestigen als het eerst het Westen kreupel maakte, omdat Westerse militaire en economische steun "vijandige" regimes zouden helpen al zij dreigde om te vallen. De "verre-vijand" -strategie was met andere woorden een middel om een ​​doel te bereiken, in plaats van een onveranderlijke verbintenis om aanvallen op het Westen te prioriteren. De gebeurtenissen van de Arabische lente verschoven de calculus van Al-Qaeda, omdat het onthulde dat westerse staten niet noodzakelijkerwijs zouden ingrijpen om de autocratische regimes te redden waartegen al-Qaeda ook jihad voert. In het geval van Libië zijn de Westerse regeringen daadwerkelijk toegetreden om Kaddafi ten val te brengen; terwijl ze helemaal niet tussenbeide kwamen toen Hosni Mubarak in Egypte viel. De enorme kansen die al-Qaeda biedt in de post-Arabische Lente-wereld betekenen dat aanvallen tegen westerse landen voorlopig niet plaats zullen vinden, omdat de jihadistische beweging de kansen in de regio benut.

Conclusie Al-Qaeda's nieuwe groeikansen presenteerden uiteraard hun eigen uitdagingen. Na een periode van toenemende spanningen tussen Al-Qaida en ISIS verdreef Al-Qaeda in februari 2014 zijn Iraakse gelieerde onderneming uit de organisatie. De dramatische opkomst van ISIS leidde daarna tot veel waarnemers om te concluderen dat de afgescheiden groep haar moederorganisatie tussen 2014 en 2016 had overgenomen en dat verschillende takken van Al-Qaeda waarschijnlijk zouden breken en zich bij IS zouden aansluiten. We hebben al een lange analyse op deze pagina's geschreven over hoe Al-Qaeda de ISIS-uitdaging heeft overleefd, nadat hij twee andere belangrijke uitdagingen heeft overleefd (het zwarte punt op de reputatie van de organisatie na de nederlaag van 2007 van AQI en de revoluties van de Arabische Lente) . Met succes door de ISIS-uitdaging heen, bleek al-Qaeda opnieuw veerkrachtig. Dit keer toonde het echter veerkracht in een gebied waar analisten eerder sceptisch waren geweest over de mogelijkheden: in de relatie tussen moederorganisatie en gelieerde ondernemingen. Er zijn weer onweerswolken rondom de kernrelaties van al-Qaeda, omdat het leiderschap botst met het Syrische gelieerde Hayat Tahrir al-Sham (HTS) . De meeste analisten hebben dit geschil geïnterpreteerd op een manier die consistent is met de diepgewortelde neiging van het veld om al-Qaeda's senior leiderschap als marginaal te ervaren. Maar een onveranderlijke les van eerdere worstelingen binnen al-Qaida en andere jihadistische organisaties is dat hun betekenis niet het best wordt begrepen door de lens van de onmiddellijke reactie van analisten, maar dat hun betekenis in de loop van de tijd duidelijker wordt. Het volstaat te zeggen dat dergelijke geschillen het risico voor Al-Qaeda verhogen dat, als insubordinatie en rebellie ongestraft blijven, andere takken de risico's van handelen tegen al-Qaeda Core's richtlijnen als lager zullen beschouwen. Doorgaans zijn de meerdere netwerken van al-Qaeda in elkaar grijpend . Zie bijvoorbeeld de relatie tussen Shabaab en al-Qaida op het Arabische schiereiland, of tussen AQIM en de Sahel-jihadisten. Als al-Qaida's gelieerde ondernemingen uit de pas lopen, zoals Boko Haram deed, dan kan al-Qaeda Core zijn steun intrekken en zijn middelen investeren in concurrerende organisaties. Alleen de tijd zal uitwijzen welke van deze twee tegengestelde overwegingen meer bepalend zullen blijken voor het oplossen van het conflict met HTS en het beheren van andere gelieerde relaties buiten Syrië.

Hoewel er vragen blijven bestaan ​​over de richting die de jihadistische beweging zal uitgaan - vragen die worden vergroot door het feit dat jihadistische organisaties clandestien van aard zijn - heeft al-Qaeda tot nu toe een algemene tendens naar meer relevantie kunnen handhaven. Dit artikel schetst de formule die de organisatie heeft gevolgd om belangrijk te blijven. Wanneer we de huidige en toekomstige uitdagingen van de organisatie onderzoeken, is het van cruciaal belang om rekening te houden met de logica van het organisatieontwerp van al-Qaeda, en ook met de verschillende voordelen die daaruit voortkomen. We moeten stoppen Al-Qaida als zwakke te zien, we moeten blijven werken aan een beter begrip van hoe de organisatie feitelijk functioneert. Uitgerust met nauwkeurigere analyses, zullen we onszelf in een positie plaatsen om al-Qaeda effectiever te verzwakken. 

Ten tweede kan de verkeerde opvatting van de analytische gemeenschap over hoe de Arabische Lente van invloed zou zijn op de jihadistische beweging, velen ertoe hebben gebracht om belangrijke verschuivingen in de strategie van Al-Qaeda over het hoofd te zien. Toen autocratische regimes in Egypte en Tunesië bezweken onder de druk van grotendeels vreedzame protestbewegingen, kwamen analisten, experts en journalisten tot een vroege consensus dat Al-Qaida's revolutionaire model, dat draaide rond het idee dat alleen geweld regimes kon ontwrichten, zijn aantrekkingskracht had verloren in de moslimwereld. De Arabische Lente en de dood van Bin Laden werden gezien als de "laatste boekensteunen" voor de oorlog tegen Al-Qaeda. Zo'n optimistische visie verzuimde ernstig na te denken over hoe Al-Qaeda zou kunnen proberen het tumult en de instabiliteit na de Arabische Lente-revoluties te exploiteren . Deze impuls om regionale gebeurtenissen te bekijken door een optimistische lens waarin het jihadisme betrokken was, in combinatie met de veronderstelling dat de organisatie moeite had om de relevantie ervan in deze nieuwe omgeving te bevestigen, heeft er mogelijk toe geleid dat de analytische gemeenschap kritische tekenen heeft gemist dat al-Qaeda een heimelijke groeistrategie nastreeft aangezien het tracht voet aan de grond te krijgen in postrevolutionaire landen.


Bron: https://www.hudson.org/research/14365-how-al-qaeda-works-the-jihadist-group-s-evolving-organizational-design

Auteurs: Daveed Gartenstein-Ross & Nathaniel Barr

Vertaling: Team Terreur Nieuws